Conclusie
poging tot doodslag, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken”, 2. subsidiair en 6: “
poging tot diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak”, 3 en 10: “
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak”, 4: “
poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak”, 5, 8 en 9: “
diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren met aftrek als bedoeld in art. 27 en Pro art. 27a Sr, tot verbeurdverklaring van voorwerpen als in het arrest vermeld, met (gedeeltelijke) toewijzing van de vorderingen van een tweetal benadeelde partijen, waaraan is gekoppeld de maatregel van schadevergoeding, en met een last tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.
eerste middelkomt op tegen de bewezenverklaring van de onder 1. subsidiair ten laste gelegde poging tot gekwalificeerde doodslag, met een motiveringsklacht over ’s hofs oordeel dat de verdachte heeft gehandeld met voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer.
hij 5 maart 2014 te Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 1925) van het leven te beroven,
1. Een proces-verbaal met nummer 4 van 6 maart 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , doorgenummerde pagina’s 202-206.
Bewijsoverwegingen feit 1 subsidiair
de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans[heeft]
aanvaard dat het slachtoffer hierdoor zou komen te overlijden en[dat]
het opzet van de verdachte minst genomen in voorwaardelijke zin daarop gericht[is]
geweest.”
De enkele omstandigheid dat [slachtoffer] oud was en zodoende een fragieler gestel had dan een gemiddeld persoon, wil evenwel niet zeggen dat verdachte daardoor voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] . De kans dat iemand als gevolg van het met een vuist (en dus niet met een zwaar en hard voorwerp) geven van enkele stompen tegen het hoofd komt te overlijden is naar algemene ervaringsregels niet aannemelijk te noemen. De omstandigheid dat degene die gestompt wordt 'op leeftijd' is en 'derhalve' een 'fragieler gestel' heeft doet daar niet aan af.”
Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Uit de enkele omstandigheid dat die wetenschap bij de verdachte aanwezig is dan wel bij hem moet worden verondersteld, kan niet zonder meer volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat in geval van die wetenschap ook sprake kan zijn van bewuste schuld.
kunnenoordelen dat het jegens het (kwetsbare) slachtoffer uitgeoefende geweld de aanmerkelijke kans op haar dood heeft doen ontstaan.
tweede middelklaagt over de overschrijding van de redelijke termijn in de fase van cassatie. Daarbij wijst de steller van het middel met name op een overschrijding van de zogeheten ‘inzendtermijn’ (van zes maanden).