Conclusie
1.[eiser 1]
2.Bespreking van het cassatiemiddel
causaal verbanden
toerekening.Is voldaan aan die vereisten dan wordt de vergoedingsplicht verminderd op basis van een afweging van
wederzijdse causaliteit [5] . Hoofdregel is dat de schade over de aangesprokene en de benadeelde wordt verdeeld in evenredigheid met de mate waarin de ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen [6] . Van deze hoofdregel kan worden afgeweken op grond van een billijkheidscorrectie, zo volgt uit de laatste zin van art. 6:101 lid 1 BW Pro: er vindt een andere verdeling plaats of de vergoedingsplicht vervalt geheel of blijft in stand, indien de
billijkheiddit wegens uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist.
intreden van de schadehet gevolg is van zowel de gepleegde onrechtmatige daad of wanprestatie, als van bepaalde gedragingen van de benadeelde. Bij (het niet voldoen aan) de schadebeperkingsplicht gaat het om situaties waarin de
omvang van de schadewordt vergoot omdat de benadeelde, anders dan van een redelijk handelend persoon had mogen worden verwacht, bepaalde handelingen of maatregelen niet treft [10] .
causaal verbandvereist. Er moet dus zowel causaal verband bestaan tussen omstandigheden aan de zijde van de dader en de omvang van de schade als omstandigheden aan de zijde van de benadeelde en de omvang van de schade. Art. 6:98 BW Pro dient als leidraad bij beantwoording van de vraag of de schade in een concreet geval mede het gevolg is van het achterwege laten van schadebeperkende maatregelen [12] . Uw Raad heeft voor het causaal verband bij de schadebeperkingsplicht in een arrest van 23 april 2010 [13] als maatstaf genomen of de schade in redelijkheid als gevolg van het achterwege laten van de schadebeperkende maatregelen aan de benadeelde kan worden toegerekend [14] .
extraschade worden gesteld dat deze het gevolg is van aan de benadeelde toe te rekenen omstandigheden [15] .
toerekeningaan op beantwoording van de vraag of de benadeelde tekortkomt ten opzichte van het normale inzicht waarvan een redelijk persoon in de gegeven omstandigheden in zijn eigen belang blijk zou hebben gegeven ter voorkoming of beperking van nadelen waarmee hij door andermans toedoen wordt geconfronteerd [16] . Het achterwege laten van schadebeperkende maatregelen is alleen dan aan de benadeelde toe te rekenen, indien op grond van de omstandigheden van het geval zou moeten worden geoordeeld dat het nemen van dergelijke maatregelen in redelijkheid van hem kon worden gevergd [17] .
onderdeel 1is dat het hof heeft miskend dat van vermindering van door [verweerder] te vergoeden schade, in het door het hof in rov. 3.5.1 beschreven geval, geen sprake is, omdat [verweerder] ook dan het bedrag had moeten betalen dat [betrokkene 1] aan [eiser c.s.] voor het pand had willen voldoen, namelijk deels uit hoofde van koop (tot de door hem geboden koopprijs) en deels uit hoofde van schadevergoeding (tot het verschil tussen de door [betrokkene 1] en [verweerder] geboden koopprijs).
onderdeel 4heeft het hof - door [eiser c.s.] te verwijten het pand niet aan [verweerder] te hebben aangeboden - de aansprakelijkheid van [verweerder] ter zake de facto behandeld als een aansprakelijkheid onder de opschortende voorwaarde van een aanbod van [eiser c.s.] als door het hof genoemd, wat strijdig is met de in de aansprakelijkheidsprocedure onvoorwaardelijk en onwrikbaar vastgestelde onrechtmatigheid, die het hof als uitgangspunt had moeten nemen (HR 17 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2247, NJ 1997/230, rov. 3.3) (aldus de procesinleiding in cassatie onder 2.4).
onderdeel 5kennelijk gemeend dat het [eiser c.s.] niet langer of zonder meer vrijstond de rechtsstrijd met [verweerder] voort te zetten, wat in strijd zou komen met grondwettelijke recht (art. 17 Gw Pro) op hoger beroep (aldus de procesinleiding in cassatie onder 2.5).
2.6-2.6.5) [23] .
onderdeel 8, ten slotte, kan de kennelijke beslissing van het hof dat op grond van eigen schuld van [eiser c.s.] [verweerder] tot aan de destijds door hem aangeboden koopsom ontslagen kan worden geacht om de schade te vergoeden, niet in stand blijven.
onderdeel 2heeft het hof miskend dat het de door hem genoemde kans dat de schade zou zijn uitgebleven, had behoren te kwantificeren, althans dat het zijn oordeel (nader) had moeten motiveren (procesinleiding in cassatie onder 3.2).
onderdeel 2, heeft het hof miskend dat de - spiegelbeeldige - stelplicht terzake ex. art. 150 Rv Pro bij [verweerder] rust, omdat [verweerder] zich heeft beroepen op het rechtsgevolg van de door hem gestelde eigen schuld van [eiser c.s.] en/of omdat de desbetreffende feiten en omstandigheden zich alle onmiskenbaar in de invloedssfeer van [verweerder] bevinden (procesinleiding in cassatie onder 4.2).
onderdeel 3heeft het hof ten onrechte geen of onvoldoende aandacht besteed aan de onbetwist gebleven stelling bij grieven onder 18 dat [verweerder] niet in staat was het pand te financieren, ook niet als [eiser c.s.] dat aan [verweerder] hadden aangeboden, op grond waarvan [eiser c.s.] in MvG (sub 19) heeft geconcludeerd dat zij geen mogelijkheid hadden de schade te voorkomen (procesinleiding in cassatie onder 4.3).
klacht 5.Die heeft als inzet dat de overwegingen van het hof in rov. 3.5.4 in het licht van art. 24 Rv Pro rechtens onjuist of onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd zijn, omdat het hof in die overwegingen niet is ingegaan op bepaalde door [eiser c.s.] in de MvA in het incidenteel appel (sub 6) ingenomen stellingen. Het onderdeel wijst op de stelling dat [verweerder] zijn beslag handhaafde en dat melding aan [verweerder] van de aanstaande veilingverkoop aan de situatie niets zou hebben veranderd dat [verweerder] het geld niet had c.q. de financiering niet rond kon krijgen.