Conclusie
middel
Parket bij de Hoge Raad
De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het klaagschrift van klager gegrond en bepaalde dat het beslag op een BMW, in beslag genomen wegens een vermoeden van witwassen, onrechtmatig was omdat onvoldoende verdenking bestond. Klager voerde aan dat het beslag onrechtmatig was omdat het tijdens een routinecontrole zonder verdenking was gelegd en dat hij onevenredig werd getroffen.
De officier van justitie stelde dat het beslag gehandhaafd moest blijven vanwege een redelijk vermoeden van witwassen, gebaseerd op het ontbreken van legale inkomsten en het feit dat klager zich in het criminele circuit zou bevinden. De rechtbank vond dit onvoldoende en achtte het beslag onrechtmatig.
De Hoge Raad oordeelt echter dat het oordeel van de rechtbank niet begrijpelijk is. Gezien de omstandigheden, waaronder de verklaring van klager dat hij eigenaar is zonder legale inkomsten en het feit dat de auto voor bijna 9.000 euro is vervreemd, is er wel degelijk een redelijk vermoeden van schuld aan witwassen. Dit rechtvaardigt het belang van strafvordering voor het voortduren van het beslag. De Hoge Raad vernietigt daarom de beschikking van de rechtbank en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de rechtbank en oordeelt dat het beslag op de BMW gehandhaafd kan blijven wegens een redelijk vermoeden van schuld aan witwassen.