ECLI:NL:PHR:2018:357

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 maart 2018
Publicatiedatum
17 april 2018
Zaaknummer
17/01970
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359a SvArt. 359 lid 2 SvArt. 80a ROArt. 41 lid 1 SrArt. 434 lid 1 Sv
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep mishandeling met verwerping noodweerverweren

Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft verdachte veroordeeld voor twee gevallen van mishandeling gepleegd op 15 augustus 2013 in Heerlen. De opgelegde straf bestond uit een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van drie jaar en een taakstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis. Verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest.

De Hoge Raad beoordeelde vier middelen van cassatie. Het eerste middel betrof de onvoldoende gemotiveerde verwerping van een verweer op grond van artikel 359a Sv over het ontbreken van camerabeelden. Dit verweer voldeed niet aan de vereisten van artikel 359a Sv, omdat onvoldoende is toegelicht welk vormvoorschrift was geschonden.

De tweede en derde middelen betroffen de verwerping van noodweerverweren ten aanzien van twee mishandelingsfeiten. De Hoge Raad oordeelde dat het hof de feiten en getuigenverklaringen juist heeft geïnterpreteerd en dat het verweer onvoldoende aannemelijk maakte dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding die noodzakelijke verdediging rechtvaardigde.

Het vierde middel klaagde over het niet reageren op een betrouwbaarheidsverweer van de verdediging. De Hoge Raad stelde vast dat geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt was ingenomen dat een reactie vereiste. Gezien deze overwegingen verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk op grond van artikel 80a RO.

Uitkomst: Het cassatieberoep werd niet-ontvankelijk verklaard en het arrest van het hof bleef in stand.

Conclusie

Nr. 17/01970
Zitting: 6 maart 2018
Mr. G. Knigge
Conclusie inzake:
[verdachte]
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 12 mei 2016 het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg van 21 oktober 2015 waarbij de verdachte ter zake van twee mishandelingen is veroordeeld, ten aanzien van de opgelegde straf vernietigd en voor het overige met aanvulling van gronden bevestigd. Als straf heeft het hof aan de verdachte opgelegd een gevangenisstraf van twee maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, en een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. A.S.J.H. van den Bronk, advocaat te Maastricht, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.

3.Het eerste middel

3.1.
Het middel behelst de klacht dat het hof een door de verdediging gevoerd verweer als bedoeld in art. 359a Sv, onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.
3.2.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 28 april 2016 houdt het volgende in:
“De verdachte verklaart het volgende.
(…)
U voorzitter houdt mij voor dat ik ter terechtzitting in eerste aanleg heb verklaard dat ik graag de beelden van de camera in de ondergrondse parkeergarage wil bekijken. U, voorzitter, houdt mij voorts voor dat de politie in een mutatierapport heeft gerelateerd dat zij op eigen initiatief op 20 augustus 2013, vijf dagen na de ten laste gelegde feiten, navraag heeft gedaan naar de camerabeelden, maar dat die beelden niet meer beschikbaar waren, omdat deze maximaal 4 dagen werden bewaard en dan werden overschreven [opmerking griffier: mutatierapport van de politie regio Limburg Zuid, leiding district Heerlen, leiding basiseenheid Heerlen-Noord, registratienummer PL2432-2013088229, gedateerd 15 januari 2014, blad 2 welk mutatierapport is opgenomen achter het dossier PL2400-2013088229 d.d. 18 september 2014, maar niet is voorzien van doorlopend genummerde pagina's].
Van de politie mag worden verwacht dat zij ook materiaal verzamelt dat ontlastend voor mij is. Ik vind het verschrikkelijk dat die beelden er niet meer zijn.
(…)
Ik zit hier, omdat de camerabeelden er niet meer zijn. Als die beelden er nog zouden zijn, zou dat een ander beeld geven van wat er is gebeurd.
(…)
De verdachte verklaart het volgende.
Ik heb meermalen verzocht om de camerabeelden te mogen bekijken. Ik kan uit het dossier niet afleiden of er daadwerkelijk inspanningen zijn verricht om te kijken hoe de camera’s omstreeks 15.30 uur stonden. Ik ben in mijn rechten geschaad doordat die camerabeelden niet boven water zijn gekomen.”
3.3.
In de toelichting op het middel wordt het volgens de steller van het middel gevoerde verweer behoorlijk aangekleed. Die aankleding is in feitelijke aanleg echter achterwege gebleven, zoals blijkt uit de door de raadsman van de verdachte voorgedragen pleitnota die aan het proces-verbaal is gehecht. Meer dan hetgeen hierboven is weergegeven, heeft de verdediging dus niet aangevoerd. Aan de eisen die worden gesteld aan een verweer als bedoeld in art. 359a Sv voldoet het aangevoerde dan ook niet. Zo wordt niet duidelijk welk vormvoorschrift door het beweerdelijk inadequate politieoptreden zou zijn geschonden. Daarom kan het middel hoe dan ook niet tot cassatie leiden.

4.Het tweede middel

4.1.
Het middel klaagt dat het hof een door de verdediging ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde gedane beroep op noodweer, in het licht van de verklaring van getuige [betrokkene 1] onbegrijpelijk gemotiveerd heeft verworpen.
4.2.
Ten laste van de verdachte is onder 1 subsidiair bewezen verklaard dat hij:
“op 15 augustus 2013, in de gemeente Heerlen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [betrokkene 2] ), meermalen voornoemde [betrokkene 2] heeft geslagen en gestompt (waardoor voornoemde [betrokkene 2] ten val kwam) en vervolgens - terwijl voornoemde [betrokkene 2] op de grond lag - [betrokkene 2] meermalen met kracht en met geschoeide voet heeft geschopt of geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden”.
4.3.
Het hof heeft met de rechtbank met betrekking tot de strafbaarheid van het bewezenverklaarde als volgt overwogen:
“Naar de mening van de officier van justitie komt verdachte geen geslaagd beroep op noodweer toe, nu geen sprake was van een situatie waarin de verdediging van (in dit geval) eigen lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, of tegen het onmiddellijk dreigend gevaar van een zodanige aanranding, noodzakelijk en geboden is. De officier van justitie brengt in dit verband naar voren dat geen van de getuigen enige vorm van agressie bij het slachtoffer hebben waargenomen.
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte ter zake van het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe is door en namens verdachte aangevoerd dat aangever als eerste geweld tegen verdachte heeft toegepast in de vorm van het slaan met een invalidenkruk in de ribben van verdachte. Er was sprake van een noodzakelijke verdediging, met als gevolg dat sprake was van noodweer dan wel noodweerexces.
Met betrekking tot het beroep op noodweer overweegt de politierechter als volgt. De politierechter overweegt dat uit geen enkele getuigenverklaring is gebleken dat aangever zich agressief tegenover verdachte heeft opgesteld. Er was geen sprake van een situatie waarin de verdediging van eigen lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, noodzakelijk en geboden was. De politierechter constateert dat niet gebleken is van een aanleiding voor een strafbare gedraging van verdachte en dat verdachte zich in deze situatie mocht verdedigen. Het beroep op noodweer en noodweerexces wordt dan ook verworpen.”
4.4.
Het middel voert aan dat de overweging van de politierechter dat “uit geen enkele verklaring is gebleken” dat de aangever zich agressief tegen de verdachte heeft opgesteld, onjuist is. Daarbij wordt gewezen op de verklaring van [betrokkene 1] , de zus van de verdachte. Het proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 1] bevindt zich bij de aan de Hoge Raad op de voet van art. 434 lid 1 Sv Pro gezonden stukken en houdt als verklaring van deze getuige het volgende in:
“(…)
Ik heb toen buiten nog even gewacht. Ik wilde mijn ex man namelijk heel graag spreken in het belang van de kinderen. Toen ik mijn ex man de school uit zag lopen heb ik hem aangesproken. Ik was op dat moment alleen. Toen ik hem aansprak begon hij meteen te schelden. Ik weet niet wat hij zei maar hij begon te schreeuwen. Ik ben niet naar de kinderen gegaan maar naar mijn ex man. De vriendin van mijn ex man, [betrokkene 3] liep al met de kinderen voorop.
Op een gegeven moment pakt de vriendin van mijn ex man [betrokkene 4] vast en ik zag dat zij zich los wilde maken. En ik hoorde haar schreeuwen. Ik wilde naar [betrokkene 4] om haar te helpen. Ik heb niks gedaan en toen opeens was [betrokkene 4] los en rende weg richting school.
Daarna stond plots mijn broer naast me. Ik zag dat [betrokkene 2] mijn boer met een kruk sloeg. Ik zag dat mijn broer met de kruk van [betrokkene 2] geslagen werd in zijn zij. Ik weet verder niet meer wat zich heeft afgespeeld. Ik maakte me alleen maar druk om mijn kinderen. Ik heb niet gezien dat mijn broer geweld heeft gebruikt tegen andere personen.
Ik ben vervolgens een stuk achter [betrokkene 4] aangerend. Ik zag dat zij richting school rende waar [betrokkene 1] stond. Ik ben toen gestopt met rennen en ben achter mijn broer aangelopen. Deze liep al de straat naar beneden. Wij zijn vervolgens samen weggegaan. Want ik had het idee dat ik niks meer kon doen.” [1]
4.5.
Ik stel voorop dat de uitleg van in het dossier aanwezige bewijsmateriaal voorbehouden is aan de feitenrechter. Waar het in casu om gaat is de vraag of – zoals de verdachte heeft aangevoerd – sprake was een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van zijn lijf door aangever [betrokkene 2] (de ex-man van de getuige) waartegen zijn, verdachtes, verdediging noodzakelijk en geboden was. Het kennelijke oordeel van het hof en de rechtbank dat ook uit de verklaring van [betrokkene 1] “niet is gebleken” dat de aangever zich agressief tegen de verdachte opstelde, acht ik niet onbegrijpelijk, aangezien die verklaring niet dwingt tot de uitleg dat het dat het vermeende slaan van de verdachte door aangever (direct) voorafging aan het door de verdachte jegens de aangever gebruikte geweld en uit die verklaring daarom niet “blijkt” dat de verklaringen van de overige getuigen, in het bijzonder de getuigen [betrokkene 7] [2] en [betrokkene 8] [3] , onjuist waren. Het middel faalt.

5.Het derde middel

5.1.
Het middel klaagt dat het hof een door de verdediging gedane beroep op noodweer ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.
5.2.
Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezen verklaard dat hij:
“op 15 augustus 2013, in de gemeente Heerlen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [betrokkene 3] ), eenmaal heeft geduwd, waardoor deze pijn heeft ondervonden.”
5.3.
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof heeft de verdachte als volgt verklaard:
“U, voorzitter, houdt mij de verklaringen van de getuige [betrokkene 7] voor, conciërge op de school [opmerking griffier: proces-verbaal van politie, pag. 45-46 en 47-48]. Ik heb [betrokkene 3] niet geduwd. Ik hoorde [betrokkene 4] schreeuwen dat zij niet mee wilde. [betrokkene 3] probeerde haar op dat moment in de auto te zetten. Toen ik [betrokkene 4] hoorde schreeuwen, heb ik ingegrepen. Ik heb [betrokkene 4] gepakt en heb haar van [betrokkene 3] weggetrokken.
U, voorzitter, vraagt mij of er een gezagsrelatie bestaat tussen mij en [betrokkene 4] . Nee ik ben wel haar oom, maar er bestaat geen gezagsrelatie tussen ons. lk heb [betrokkene 4] losgemaakt van [betrokkene 3] . [betrokkene 3] begon toen tegen mij te sputteren. Het kan zijn dat ik [betrokkene 3] daarbij heb geduwd.
(….)
U, voorzitter, houdt mij de verklaring voor van de getuige [betrokkene 8]
[opmerking griffier: proces-verbaal politie pag. 50-51]. Nadat ik [betrokkene 2] had geslagen, nam [betrokkene 3] mij in een wurggreep. Ik ben daarna weggegaan.
(…)
U, voorzitter, houdt mij de verklaring voor van de getuige [betrokkene 9] [opmerking griffier: proces-verbaal van politie, pag. 43-44]. Ik heb net uitgelegd hoe het is gegaan toen ik [betrokkene 4] wegtrok bij [betrokkene 3] .”
5.4.
Voorts heeft de raadsman van de verdachte overeenkomstig zijn pleitnota het volgende aangevoerd: [4]
“2. Subsidiair wordt cliënt eenvoudige mishandeling van [betrokkene 2] tenlastegelegd. Tevens wordt hem eenvoudige mishandeling van [betrokkene 3] tenlastegelegd.
Volgens de verdediging is er in beide gevallen sprake van verdediging.
(…)
Volgens cliënt stond hij eerst op enige afstand van het incident tussen zijn zus enerzijds en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] anderzijds. [betrokkene 3] wilde [betrokkene 4] tegen haar wil de in auto van [betrokkene 2] duwen. Het kind wilde dat blijkens haar luiden roepen: “ik wil niet, ik wil niet”, duidelijk niet. Daarop is cliënt toegesneld wilde cliënt [betrokkene 4] ontzetten.
(…)
Volgens cliënt wilde [betrokkene 3] [betrokkene 4] tegen haar wil de in de auto van [betrokkene 2] duwen. Het kind wilde dat blijkens luid roepen duidelijk niet. Daarop wilde cliënt [betrokkene 4] van [betrokkene 3] ontzetten. Hij is naar het incident toe gerend en met heeft zijn twee armen rondom [betrokkene 4] gelegd en heeft haar van [betrokkene 3] losgetrokken. Hij heeft [betrokkene 3] niet aangeraakt. [betrokkene 3] wilde niet loslaten en is ten gevolge van de daarmee gepaard gaande krachten ten val gekomen. Client ontkent dat hij [betrokkene 3] heeft geslagen.
In de aangifte/verklaring van de getuige [betrokkene 3] wordt verklaard dat cliënt haar heeft weggetrokken, op haar is begonnen in te slaan, en haar met zijn vuist ter hoogte van schouders en meermaals in haar buik heeft geslagen, en dat [betrokkene 3] op enig moment op de grond is gevallen.
De verdediging is van mening dat indien [betrokkene 3] pijn heeft gehad, hetgeen niet vaststaat, zij dit aan zichzelf te wijten heeft omdat zij cliënt toen cliënt door [betrokkene 2] met diens loopkruk werd geslagen van achteren in een wurggreep vastpakte en cliënt zich hieruit heeft losgemaakt ( pag. 2 verhoor verdachte [verdachte] op 23 april 2014 ).
De verbalisant die de aangifte van [betrokkene 3] heeft opgenomen, heeft geen letsel bij [betrokkene 3] geconstateerd (pag. 54 ). Medische stukken betreffende [betrokkene 3] ontbreken.
Aan cliënt wordt tenlastegelegd meermalen, althans een maal slaan en/of stompen en/of ( hard) duwen.
Twee wettige en overtuigende bewijsmiddelen ontbreken, enkel de aangifte van [betrokkene 3] is onvoldoende om cliënt voor eenvoudige mishandeling van [betrokkene 3] te veroordelen. Verzocht wordt cliënt vrij te spreken van mishandeling van [betrokkene 3] .”
5.5.
Het hof heeft met betrekking tot de strafbaarheid van het bewezenverklaarde als volgt overwogen:
“°Op grond van art. 41 lid 1 Sr Pro is niet strafbaar hij die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.
Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard, dat toen [betrokkene 3] [betrokkene 4] in de auto probeerde te zetten, hij [betrokkene 4] hoorde schreeuwen dat zij niet wilde. Verdachte heeft daarom naar eigen zeggen ingegrepen, heeft [betrokkene 4] vastgepakt en heeft haar losgetrokken van [betrokkene 3] . [betrokkene 3] begon daarop tegen verdachte te 'sputteren’. Volgens verdachte kan het zijn dat hij [betrokkene 3] toen heeft geduwd.
Het hof begrijpt het verweer van de verdediging aldus, dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van [betrokkene 4] door [betrokkene 3] , waartegen de noodzakelijke verdediging door verdachte geboden was.
Het hof acht het op grond van de stukken in het strafdossier niet aannemelijk dat er op enig moment sprake is geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van [betrokkene 4] door die [betrokkene 3] . Het enkele feit dat [betrokkene 3] de minderjarige [betrokkene 4] in de auto probeerde te zetten omdat zij - [betrokkene 4] - overeenkomstig de geldende omgangsregeling het resterende deel van de zomervakantie bij haar vader [betrokkene 2] en diens partner [betrokkene 3] zou doorbrengen en [betrokkene 4] daarbij beweerdelijk heeft geschreeuwd dat zij niet wilde maakt met dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van die [betrokkene 4] door die [betrokkene 3] . Uit geen enkel bewijsmiddel blijkt dat [betrokkene 3] zich agressief opstelde jegens [betrokkene 4] .
Het hof verwerpt daarom dit beroep op noodweer.”
5.6.
In het middel wordt aangevoerd dat het hof het gevoerde verweer verkeerd zou hebben uitgelegd. Dat verweer zou hebben ingehouden dat de wederrechtelijke aanranding door [betrokkene 3] bestond uit in een wurggreep vastpakken van de verdachte op het moment waarop de verdachte met de kruk werd geslagen en dat deze aanranding direct vooraf ging aan het bewezenverklaarde duwen door de verdachte van deze [betrokkene 3] . Ook hier geldt dat de uitleg van gevoerde verweren voorbehouden is aan de feitenrechter. Dat het hof een onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven aan hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, vermag ik niet in te zien. Het middel faalt.

6.Het vierde middel

6.1.
Het middel klaagt dat het hof ten onrechte is voorbijgegaan aan het door de verdediging gevoerde betrouwbaarheidsverweer met betrekking tot de verklaringen van de getuigen [betrokkene 2] , [betrokkene 7] , [betrokkene 8] , [betrokkene 5] , [betrokkene 3] en [betrokkene 9] .
6.2.
Op een dergelijk verweer dient het hof te responderen indien het aangevoerde kan worden aangemerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, lid 2 tweede volzin, Sv. Van zo een ingenomen standpunt blijkt niet uit de door de raadsman van de verdachte voorgedragen pleitnota die aan het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof is gehecht. Het middel faalt.
7. De middelen kunnen naar mijn oordeel klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden en ik stel mij dan ook op het standpunt dat het ingestelde beroep met toepassing van art. 80a RO moet worden afgedaan.
8. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie het proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 1] van 15 augustus 2013, nummer PL2432 2013086229-3, blz. 41.
2.Het proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 7] van 15 augustus 2013, met nummer PL2432 2013088229-5, houdt als verklaring van deze getuige in (blz. 45-46):
3.Het proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 8] van 10 juli 2014, met nummer PL2400-2013088229-15, houdt als verklaring van deze getuige in (blz. 50-46):
4.Zie. p. 1-3 van de pleitnota gehecht aan het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof.