Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
17 april 2018.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 12 mei 2016, waarin hij werd veroordeeld voor meermalen gepleegde mishandeling. De verdediging voerde meerdere middelen aan, waaronder motivering van de verwerping van een verweer op grond van artikel 359a Sv, een beroep op noodweer en een klacht over het niet reageren op een betrouwbaarheidsverweer.
De Advocaat-Generaal concludeerde tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie. De Hoge Raad heeft dit advies gevolgd en geoordeeld dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.
Daarom heeft de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren, en uitgesproken in een openbare terechtzitting op 17 april 2018.
Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang en onvoldoende gronden.