De verdachte werd in hoger beroep verstek verklaard door het hof omdat hij niet was verschenen op de zitting. Uit de overgelegde stukken, waaronder een meldingsformulier inverzekeringstelling, een vordering tot inbewaringstelling, een verhoorproces-verbaal en een bevel tot bewaring, bleek dat de verdachte ten tijde van de behandeling in hoger beroep gedetineerd was in verband met een andere strafzaak.
De Hoge Raad oordeelt dat het verstek verlenen achteraf onjuist was omdat de verdachte niet vrijwillig afwezig was en het grote belang van aanwezigheid bij de behandeling van zijn zaak in hoger beroep zwaarwegend is. Daarom wordt het bestreden arrest vernietigd en wordt de zaak terugverwezen naar het hof voor een nieuwe behandeling in aanwezigheid van de verdachte.
De conclusie van de Procureur-Generaal bevestigt dat de stukken betrouwbaar zijn en dat de verdachte op 18 oktober 2016 niet-ontvankelijk werd verklaard in hoger beroep terwijl hij toen feitelijk gedetineerd was. Dit leidt tot vernietiging en terugwijzing van de zaak. Er bestaat samenhang met een andere zaak die gelijktijdig wordt behandeld.