ECLI:NL:PHR:2018:327

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 februari 2018
Publicatiedatum
10 april 2018
Zaaknummer
16/06190
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Nietig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 27a SrArt. 4.8.2 Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid van hoger beroep wegens ontbreken pleitnota bij stukken

In deze zaak heeft de verdachte cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het hof Den Haag waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van een opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet. Bij het onderzoek in hoger beroep op 23 november 2016 heeft de raadsvrouw van de verdachte een pleitnota overgelegd die echter niet meer bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken aanwezig is.

De raadsman van de verdachte heeft tijdig verzocht om een afschrift van deze pleitnota, maar het hof heeft bevestigd dat deze pleitnota niet meer beschikbaar is. Hierdoor is niet vast te stellen of tijdens de terechtzitting alle verweren en standpunten zijn behandeld, wat een schending van de behoorlijke procesorde betekent.

De Hoge Raad oordeelt dat dit onherstelbare verzuim leidt tot nietigheid van het onderzoek en de uitspraak van het hof. Daarom wordt het arrest vernietigd en wordt de zaak terugverwezen naar het hof Den Haag voor een nieuwe behandeling van het hoger beroep op basis van de bestaande stukken.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens het ontbreken van de pleitnota en de zaak wordt terugverwezen naar het hof.

Conclusie

Nr. 16/06190
Zitting: 20 februari 2018
Mr. D.J.C. Aben
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 7 december 2016 door het hof Den Haag wegens "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod", veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf met aftrek als bedoeld in artikel 27(a) Sr.
Er bestaat samenhang met de zaak 16/06262. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. J.M. Lintz, advocaat te 's-Gravenhage, heeft bij schriftuur en aanvullende schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.
Ik kom als eerst toe aan bespreking van het bij aanvullende cassatieschriftuur ingediende tweede middel, dat klaagt dat het onderzoek ter terechtzitting van
23 november 2016 aan nietigheid lijdt, nu de door de raadsvrouw bij die gelegenheid aan het hof overgelegde pleitnota zich niet (meer) bij de stukken in het geding bevindt.
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 23 november 2016 is aldaar door de raadsvrouw van de verdachte het woord tot verdediging gevoerd aan de hand van haar pleitnota die door haar aan het hof is overgelegd.
De in dit proces-verbaal vermelde pleitnota ontbreekt bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken. Overeenkomstig het Procesreglement heeft de raadsman van de verdachte bij faxbericht van 1 augustus 2017 tijdig aan de rolraadsheer verzocht alsnog in het bezit te worden gesteld van een afschrift van deze pleitnota. Desgevraagd heeft de griffier van het hof bij brief van 10 augustus 2017 de Hoge Raad bericht dat deze pleitnota niet op het hof is achtergebleven.
Gelet hierop valt thans niet na te gaan of ter terechtzitting meer verweren zijn gevoerd of uitdrukkelijk onderbouwde standpunten naar voren zijn gebracht. Dit verzuim strijdt zozeer met een behoorlijke procesorde dat het, nu het blijkens bij het hof ingewonnen informatie onherstelbaar is, nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak meebrengt. Het middel is derhalve terecht voorgesteld.
Het voorgaande brengt mee dat het eerste middel geen bespreking behoeft.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG