Conclusie
1.De feiten
2.Het procesverloop
Ny Molle Kro(HvJ EG 17-12-1987, ECLI:NL:XX:1987:AD0105) bepaald dat de richtlijn van toepassing is als de eigenaar van een verpachte onderneming deze weer in eigen hand neemt op grond van wanprestatie van de pachter; ook die overname vindt plaats op basis van de pachtovereenkomst.
Daddy's Dance Hall)en HvJ EG 5 mei 1989, NJ 1989, 712
(Besi Mill)-in die situatie gesproken dient te worden van een overgang “ten gevolge van een overeenkomst”. Aan de overname van de exploitatie door de Gemeente lag immers de (ontbinding van de) huurovereenkomst met Zwembad Haren ten grondslag. Dat de Gemeente niet de wil zou hebben gehad om die exploitatie (opnieuw) ter hand te nemen, mag zo zijn, maar het was wel inherent aan het beëindigen van de huurovereenkomst nu de Gemeente niet had voorzien in voortzetting van de exploitatie door een derde. Op het ontbreken van de wil tot voortzetting kan de Gemeente zich in die situatie niet met vrucht jegens [verweerders] beroepen.
3.De bespreking van het cassatiemiddel
zonder het zwembad;
de horecavoorzieningen nevenvoorzieningen, en
niet tevens door het zwembad;
gehele ondernemingdie Zwembad Haren volgens het hof op dat tijdstip exploiteerde zonder verlies van identiteit is voortgezet door de Gemeente en dus op haar is overgegaan.
inclusief het zwembad en exclusief de horecavoorziening,en derhalve werd gevormd door het zwembad en de sporthal met de daarbij behorende (in rov. 5.11 opgesomde) nevenvoorzieningen. Nu het hof zulks niet heeft gedaan – en er in plaats daarvan in rov. 5.12 kennelijk van is uitgegaan dat de onderneming van Zwembad Haren op 1 februari 2012 bestond uit het gehele sportcomplex
exclusief het zwembad en inclusief de horecavoorziening– heeft het hof zijn arrest niet naar behoren gemotiveerd en/of is het hof ten onrechte buiten de door partijen getrokken grenzen van de rechtsstrijd getreden en/of heeft het hof in strijd met art. 24 Rv Pro de feitelijke grondslag van de vordering aangevuld.
gehele ondernemingdie Zwembad Haren op het moment van de overgang op 1 februari 2012 exploiteerde, zonder verlies van identiteit is voortgezet door de gemeente en dus op haar is overgegaan, zulks in het licht van het voorgaande eveneens onbegrijpelijk is. Immers, de gedingstukken laten blijkens het voorgaande geen andere conclusie toe dan dat de onderneming van Zwembad Haren tot 1 februari 2012 mede werd gevormd door het zwembad, terwijl ingevolge 's hofs eigen vaststelling in rov. 5.13 vaststaat dat het zwembad niet mee is overgegaan. In rov. 5.13, vanaf de tweede volzin, en in rov. 5.14 lijkt het hof er overigens weer van uit te gaan dat
nietde gehele onderneming is overgegaan, zodat de overwegingen van 's hofs arrest (ook) in zoverre innerlijk tegenstrijdig zijn.
gehele ondernemingdie Zwembad Haren op het moment van de overgang op 1 februari 2012 exploiteerde, zonder verlies van identiteit is voortgezet door de Gemeente en dus op haar is overgegaan. Deze veronderstelling is niet juist. Het hof is er immers niet van uitgegaan dat de gehele onderneming van Zwembad Haren is overgegaan. Ik verwijs naar rov. 5.12 en 5.13 en naar hetgeen ik onder 3.5 van deze conclusie heb opgemerkt. Het subonderdeel faalt.