Conclusie
middel
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van kraken van een pand aan de Hellingweg 127 te Den Haag, bekend als 'De Vloek'. De gemeente Den Haag was eigenaar en had het gebruik van het pand beëindigd door opzegging van de bruikleenovereenkomst, waarna een civiele ontruiming plaatsvond.
De verdediging voerde aan dat het pand sinds 2003 geen kraakpand meer was, dat sprake was van een civiele ontruiming en dat het feitelijk gebruik door de gebruikers pas na daadwerkelijke ontruiming was beëindigd. Zij betoogden dat art. 138a Sr niet van toepassing was omdat het gebruik niet feitelijk was beëindigd en dat het wederrechtelijk vertoeven ontbrak.
Het hof oordeelde dat het wederrechtelijk vertoeven strafbaar is, ook zonder wederrechtelijk binnendringen, en dat de gemeente als rechthebbende geldt. Het beëindigen van het gebruik door opzegging van de bruikleenovereenkomst was voldoende om te spreken van beëindigd gebruik. De verdachte had geen toestemming meer en verbleef dus wederrechtelijk in het pand.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep. Volgens de Hoge Raad is voor de uitleg van 'gebruik' in art. 138a Sr de feitelijke situatie beslissend, maar het beëindigen van het gebruik kan ook door opzegging van de overeenkomst worden vastgesteld. De stelling dat feitelijk gebruik pas na ontruiming eindigt, vindt geen steun in het recht. Hiermee blijft de veroordeling voor medeplegen kraken in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor medeplegen kraken blijft in stand.