Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Beoordeling van het tweede middel
5.Beslissing
7 februari 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam over het wederrechtelijk binnendringen en vertoeven in een pand aan de Vechtstraat te Amsterdam, waarvan het gebruik door de rechthebbende was beëindigd. De verdachte werd veroordeeld op grond van artikel 138a, eerste lid, Sr wegens kraken.
Het geschil spitste zich toe op de uitleg van het bestanddeel 'waarvan het gebruik door de rechthebbende is beëindigd' in art. 138a Sr. Het Hof had geoordeeld dat het begrip 'gebruik' in art. 138a Sr beperkter moet worden uitgelegd dan in art. 138 Sr Pro, zodat eerder sprake is van beëindigd gebruik, wat de vervolging van krakers vergemakkelijkt. Dit oordeel werd door de Hoge Raad als onjuist beschouwd, maar dit leidde niet tot cassatie omdat het Hof de feitelijke situatie doorslaggevend had geacht.
De Hoge Raad bevestigde dat het gebruik van het pand aan de Vechtstraat 7 reeds vóór de onderhoudswerkzaamheden door Amstelvecht was beëindigd en beëindigd was gebleven. Het Hof had dit oordeel gebaseerd op een zorgvuldige waardering van de omstandigheden en feiten, waaronder de ontruiming en de weigering van de krakers het pand te verlaten. Het cassatieberoep werd daarom verworpen.
De uitspraak benadrukt de belang van feitelijke waardering door de feitenrechter bij de beoordeling van het beëindigd gebruik en bevestigt de strafrechtelijke aanpak van kraken onder art. 138a Sr. De Hoge Raad geeft tevens aan dat de uitleg van 'gebruik' in art. 138a Sr niet zonder meer gelijkgesteld kan worden aan die in art. 138 Sr Pro, maar dat dit geen reden is om het arrest te vernietigen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het Hof Amsterdam bevestigd dat het gebruik van het pand was beëindigd en de verdachte zich wederrechtelijk aldaar bevond.