Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
limited partnership‘[A]’ ([A]) naar Illinois’ recht aangegaan. [A] exploiteert [F] op Aruba. De belanghebbende en de eveneens Arubaanse vennootschap [C] NV ([C]) zijn
limited partnersin [A].
General Partner(GP) is de eveneens op Aruba gevestigde vennootschap [B] NV ([B]).
Management Agreement(MA) aangegaan, i.e. een duurovereenkomst over het door de belanghebbende ten behoeve van [A] te voeren hotelmanagement. De belanghebbende ontvangt daarvoor diverse
feesvan [A] waarvan de hoogte afhangt van de bruto omzet en de winst van [A]. De belanghebbende berekent haar kosten door aan [A]. De belanghebbende heeft geen Belasting op bedrijfsomzetten (BBO) voldaan over de door haar doorberekende kosten en de door haar in rekening gebrachte
fees. Op 1 januari 2003 zijn de belanghebbende en [E] een
Services Agreement(SA) aangegaan, op basis waarvan [E] aan de belanghebbende, kort gezegd, de diensten levert die de belanghebbende nodig heeft om haar hoteldiensten ingevolge de MA aan [A] te kunnen leveren. [E] ontvangt daarvoor het overgrote deel van hetgeen de belanghebbende ingevolge de MA ontvangt van [A].
Gemeente Borsele, [3] waaruit volgens haar volgt dat in haar geval geen sprake is van voor het BTW-ondernemerschap relevante economische activiteit;
Heerma. [4]
Gemeente Borseleziet mijns inziens niet op gevallen zoals dat van de belanghebbende, maar op de afbakening van de (semi-)openbare dienst en niet-overheidshandelen. Het gaat in die rechtspraak om de aard van de activiteiten en de vraag of zij ook zouden kunnen worden verricht op de markt (door een niet-overheid). In belanghebbendes geval gaat het niet om de afbakening van de (semi)publieke sfeer, terwijl ook niet valt in te zien waarom belanghebbendes zakelijk geprijsde hotelmanagementdiensten niet door een niet-gelieerde commerciële partij op de markt verleend zouden kunnen worden.
Gemeente Borselelijkt mij daarom niet relevant. De houdsterjurisprudentie van het HvJ EU houdt voorts in dat ook een activiteit die louter ten behoeve van slechts één of enige andere concernlichamen wordt ontplooid, zoals die voor een 100%-dochter, wel degelijk een economische activiteit kan zijn.
Heermavolgt dat de voor BTW-belastingplicht vereiste zelfstandigheid zich bij een maatschap voordoet als een maat op eigen naam, voor eigen rekening en onder eigen verantwoordelijkheid werkzaamheden voor de maatschap verricht, andere dan beheers- en vertegenwoordingsactiviteiten als maat. Het criterium ‘zelfstandigheid’, zo blijkt ook uit die EU‑jurisprudentie, is er vooral op gericht natuurlijke personen in dienstbetrekking buiten de BTW‑heffing te houden. Het criterium dient er dus niet zozeer toe om rechtspersonen uit te zonderen, die worden - buiten het geval van een fiscale eenheid voor de OB - vermoed zelfstandig te zijn omdat dat doorgaans de reden is om een rechtspersoon op te richten. De belanghebbende is een NV.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
Feiten
limited partnership‘[A]’ ([A]) naar Illinois’ recht overeengekomen. [A] exploiteert [F] op Aruba. De belanghebbende en de eveneens Arubaanse vennootschap [C] NV ([C]) zijn
limited partnersin [A].
General Partner(GP) is de eveneens op Aruba gevestigde vennootschap [B] NV ([B]).
management agreement(MA) aangegaan met een looptijd tot 2020 en de mogelijkheid tweemaal met 10 jaar te verlengen. De MA bevat afspraken over het door de belanghebbende ten behoeve van [A] te voeren hotelmanagement. Zij heeft zich verplicht het management en de zogenoemde
chain servicesvoor haar rekening te nemen zoals
sales promotions,
public relations, adverteren, personeelsbeleid, etc. Zij krijgt daarvoor van [A] een
basic fee(4% van de bruto omzet van [A]), een
supplementary fee(1% van de bruto omzet van [A]) en een
incentive fee(10% van de bruto winst van [A]). De belanghebbende kan de kosten (
charged payroll expenses) van de
chain services, grosso modo doorberekenen aan [A]. De belanghebbende heeft geen BBO voldaan over de doorberekende kosten en de genoemde
fees.
Services Agreement(SA) aangegaan op basis waarvan [E] aan de belanghebbende levert:
chain services,
[X] system services(
sales,
marketing, personeelstraining, wereldwijde promotie, etc.) en aanvullende adviesdiensten (regionale ondersteuning, lokale inkoopprogramma's, ‘
budget and reporting formats’,
human resources,
home office resources,
executive staff selectionen ‘
proprietary materials’). De belanghebbende betaalt voor deze
chain servicesen
[X] system servicesde door haar van [A] ontvangen kostenvergoeding onder de opschortende voorwaarde dat deze vergoedingen daadwerkelijk door haar zijn ontvangen. Voor de aanvullende adviesdiensten betaalt de belanghebbende [E] 95% van de door haar van [A] ontvangen
basicen
incentive fees. Die 95% wordt steeds betaalbaar gesteld uiterlijk drie dagen na betaling van die
feesdoor [A] aan de belanghebbende. De SA expliciteert dat deze niet is bedoeld als
management agreement.
Heerma [7] afgeleid dat een persoon die een lichamelijke zaak verhuurt aan een maatschap waarvan hij deel uitmaakt, als zelfstandig belastingplichtig voor de BTW moet worden aangemerkt omdat de verhuur is aan te merken als zelfstandige economische activiteit waarmee duurzaam opbrengsten verkregen worden. Het Gerecht heeft daaraan de conclusie verbonden dat de belanghebbende voor de aan [A] verrichte diensten zelfstandig BBO-plichtig is als zij die diensten zelfstandig in het economisch verkeer verricht.
Heerma-arrest, heeft het Hof afgeleid dat de partners in een samenwerkingsverband zelfstandig belastingplichtig zijn voor zover zij als ondernemer, dat wil zeggen op eigen naam, voor eigen rekening en onder eigen verantwoordelijkheid, prestaties verrichten jegens het samenwerkingsverband. Het Hof zag in belanghebbendes geval een dergelijk ondernemerschap omdat: (i) de MA en de SA door de belanghebbende als zelfstandige partij op eigen naam zijn gesloten; (ii) de in de MA bedongen vergoeding zakelijk is; (iii) de belanghebbende met haar activiteiten voor eigen rekening inkomen heeft gegenereerd; (iv) zij de in de MA overeengekomen diensten onder eigen verantwoordelijkheid heeft verricht; uitbesteding ervan in de SA doet daar niet aan af; dat is slechts een beperking van haar bedrijfsrisico; en (v) de MA voor zeer lange tijd gesloten is, zodat de duurzaamheid van haar als ondernemer te verrichten activiteiten is gewaarborgd.
general partner([B]) en dat de (vroegere) Raad van Beroep (RvB) - onherroepelijk - bij uitspraak van 1 september 2014 [10] heeft vastgesteld dat de taken die [B] om niet vervult, bestaande uit het bestuur, het beleid en de administratie van [A], moeten worden aangemerkt als het beheer en de vertegenwoordiging van [A]. Deze taken, aldus de RvB, zijn inherent aan de vennootschappelijke inrichting van [A], zodat [B] te dier zake niet zelfstandig kan handelen en daarvoor dus geen ondernemer is. Volgens het Hof verschilt de belanghebbende echter van de GP omdat zij haar diensten als derde heeft verricht, terwijl de taken van [B] interne prestaties zijn die geacht worden niet in het economische verkeer te zijn verricht en die daarom niet aan de BBO zijn onderworpen. Het Hof zag
a contrariosteun voor deze opvatting in het genoemde arrest
Heerma.
überhauptniet gebonden aan uitspraken van de RvB.
3.Het geding in cassatie
Gemeente Borsele, [11] waaruit zou volgen dat de belanghebbende geen economische activiteit heeft verricht;
Heermaomdat in die zaak slechts in geschil was of de gelieerdheid tussen de betrokkene en een maatschap haar verhuur aan die maatschap onzelfstandig maakte. De prealabele vraag of zich überhaupt economische activiteit in het maatschappelijk verkeer voordeed, was in die zaak niet meer in geschil, zodat die zaak niet relevant is voor belanghebbendes geval, waarin die vraag in geschil is. Wel relevant acht de belanghebbende
Gemeente Borsele. Uit dat arrest leidt zij af dat een economische activiteit zich pas voordoet als de activiteit leidt tot één van de in art. 2 van Pro de BTW-Richtlijn opgesomde feiten. Daarbij is weliswaar van belang dat de belanghebbende haar managementdiensten onder bezwarende titel als bedoeld in art. 2(1)(c) BTW-Richtlijn verricht, maar daarmee staat volgens dat arrest nog niet vast staat dat zich een dienst in het economische verkeer voordoet. Dat hangt van de omstandigheden van het geval af. Volgens de belanghebbende moet opgetreden worden in het economisch (c.q. maatschappelijk ruil)verkeer onder omstandigheden waarin dit type economische activiteit in de regel wordt verricht, zoals het beschikken over de daartoe vereiste activa, zoals een bedrijfspand en kantooroutilage en over personeel waarmee dergelijk hotelmanagement kan worden uitgevoerd. Daarvan is in haar geval geen sprake.
Heermawas slechts de zelfstandigheid in geschil waarmee de overigens vast staande economische diensten werden verleend; niet de economische activiteit zelf. In
Heermawerd de maat die aan de maatschap verhuurde zelfstandig geacht in de zin van art. 4(1) BTW-richtlijn [12] omdat hij dat op eigen naam, voor eigen rekening en onder eigen verantwoordelijkheid deed: hij verhuurde niet ten behoeve van de maatschap maar ten behoeve van zichzelf. Zij meent dat zij de in
Heermabedoelde zelfstandigheid niet heeft omdat haar dienstverlening geen ander doel heeft dan het beheren en vertegenwoordigen van de maatschap. Die diensten kunnen volgens
Heermaniet worden aangemerkt als zelfstandig verrichte economische activiteiten. Zij stelt voor het GHvJ onweersproken gesteld te hebben dat zij als enig doel heeft het management van [F] in Aruba. In de
limited partnership agreementis opgenomen dat de belanghebbende verantwoordelijk is voor het beheer van het hotel en dat de Partnership en de “hotel manager” een management agreement dienen aan te gaan (…).’ Het Hof is er volgens de belanghebbende ten onrechte aan voorbij gegaan dat zij, gezien deze
partnership agreement, niet anders kon dan de
management agreementmet [A] aangaan. Zij acht zich daarmee ondergeschikt aan [A] en dus onzelfstandig. Ook het gegeven dat zij financieel, organisatorisch en economisch is verweven met de andere partners in [A] maakt haar onzelfstandig: de drie NV’s die [A] vormen zijn alle drie volledig in handen van dezelfde [E]. Van een economische eenheid is sprake omdat zij allemaal één economisch doel hebben: de exploitatie van [F] in Aruba.
verweeracht het Departamento di Impuesto de BTW-Richtlijn wel degelijk relevant bij de uitleg van de Lv BBO. Hij betoogt dat de belanghebbende jegens het
partnershipzelfstandig in het economische verkeer is opgetreden en daarbij ook een economisch (bedrijfs)risico heeft gelopen. Hij meent dat de belanghebbende wel degelijk zelfstandig optreedt bij de verlening van haar hotelmanagementdiensten. De zaak
Gemeente Borseleacht het Departamento onvergelijkbaar omdat dat arrest de vraag betrof “of een overheidsinstantie een economische activiteit verricht. Dit is ook logisch, aangezien overheidsinstanties niet onderworpen zijn aan de heffing van BTW, voor zover zij als overheid handelen.” Zijn verweerschrift komt er ook overigens op neer dat het Hof op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen.
4.Wet- en regelgeving
Landsverordening Belasting op Bedrijfsomzetten (Lv BBO) (Aruba)
5.Interpretatie van de Lv BBO
hoedat economische ruilverkeer wordt getroffen: cumulatief tegen een laag tarief of non-cumulatief tegen een hoog tarief. Cumulatief of niet-cumulatief is vooral van belang voor de vraag welke belastingdruk de eindgebruiker zal ervaren; die vraag is dus vooral van belang bij de uitgang uit het systeem; niet bij de ingang in het systeem.
6.Economische activiteit op de markt en zelfstandigheid
Van Hiltenen
Van Kesterenmoeten de termen ‘ondernemer’ in de Wet OB en ‘belastingplichtige’ in de BTW-Richtlijn als identiek beschouwd worden: [27]
BNB1984/295). Beide begrippen moeten daarom synoniem worden geacht. Dit heeft tot gevolg dat de criteria voor de hoedanigheid van ondernemer/ belastingplichtige dezelfde moeten zijn. De Europese jurisprudentie aangaande het begrip belastingplichtige is dan ook rechtstreeks van toepassing op het Nederlandse begrip ‘ondernemer’.”
Heerma [29] betrof een natuurlijke persoon die met zijn echtgenote een maatschap was aangegaan en een door hem gebouwde ligboxenstal aan die maatschap verpachtte. De vraag was - van belang voor de aftrekbaarheid van de input-BTW op de bouw - of hij ‘zelfstandig’ verpachtte’ of met de maatschap als één belastingplichtige in de zin van art. 4(1) Zesde BTW-Richtlijn [30] moest worden beschouwd. De Nederlandse regering betoogde dat de vereiste zelfstandigheid ontbrak omdat:
Enkler, reeds aangehaald, dat de verhuur van een lichamelijke zaak een exploitatie van die zaak is, die is aan te merken als economische activiteit in de zin van artikel 4, lid 2, van de Zesde richtlijn, wanneer zij erop gericht is duurzaam opbrengst te verkrijgen.”
Doesum [31] valt
Van Zadelhoffbij, volgens wie de art. 10 en Pro 11 BTW-richtlijn (ex art. 4 lid 4 Zesde Pro richtlijn, vgl. art. 7 lid 4 Wet Pro OB):
Van Nordenis het uitgangspunt dat rechtspersonen zelfstandig zijn voor de BTW, maar daarop kan volgens hem op drie manieren inbreuk worden gemaakt: [33]
Van Doesumverwijst in het bovenstaande citaat, schrijft over ‘zelfstandigheid’: [34]
Gemeente Borselebetrof leerlingenvervoer dat door een vervoerder in opdracht van en vrijwel geheel gefinancierd door de gemeente werd verricht. De vraag was of op de ouderlijke bijdragen (tot een aanzienlijk lager bedrag dan de vervoerskosten) die de gemeente van de ouders vroeg maar die niet door alle ouders betaald werden, BTW in rekening gebracht moest worden. Het HvJ oordeelde onder meer (het gaat onze belanghebbende vooral om de r.o. 30): [36]
Van Kesteren [37] leiden uit
Gemeente Borseleaf dat het enkele verrichten van
enigeprestaties tegen vergoeding nog geen ondernemerschap hoeft op te leveren. Volgens hen heeft het HvJ EU benadrukt dat
Gemeente Borseleook de zaken
T-Mobile Austria(C-284/04) en
SPÖ(C-267/08); PJW], valt op dat het telkens (semi)overheidslichamen zijn waar het optreden op een ‘markt van belang lijkt te zijn. Dat doet de vraag rijzen of deze voorwaarde met name voor publiekrechtelijke lichamen geldt, dan wel of die voorwaarde ruimer moet worden gezien. Wij aarzelen, ook omdat uit andere rechtspraak kan worden afgeleid dat ook in het schemergebied tussen particulier optreden en ondernemersoptreden, althans, het onderscheid daartussen, van belang lijkt te een vergelijking te maken met ‘echte’ ondernemers.”
kanzijn of de omstandigheden waarin de betrokkene zijn diensten verricht vergelijkbaar zijn met die waarin dit type economische activiteit in de regel op de markt wordt verricht. Maar dat iets kan zijn, wil niet zeggen dat het steeds zo is. Bovendien is de vraag of de omstandigheden waaronder de belanghebbende haar hotelmanagementdiensten aanbiedt relevant afwijken van die waaronder dit type managementdiensten gewoonlijk op de markt wordt verricht, een feitelijke vraag waarop in cassatie maar zeer beperkt ingegaan kan worden. Maar bovenal lijkt het arrest mij, net als
Commissie v Finland(zie 6.10),
SPÖen
T-Mobile Austria, te zien op semi-publieke diensten, waarbij de vraag rijst of die dienst onder vergelijkbare (prijs)omstandigheden ook op de commerciële markt kan worden verleend. Dat is in belanghebbendes geval volgens het Gemeenschappelijk Hof het geval. De analyse van
Van Hiltenen
Van Kesterenkomt er op neer dat de gemeente Borsele geen prestaties aanbood op de markt van personenvervoer maar eerder de eindverbruiker was van ingekochte diensten die zij in het kader van haar openbare dienstverlening ter beschikking stelde aan het publiek. Het arrest lijkt mij dus niet relevant voor belanghebbendes geval.
Lavjér [39] betrof Hongaarse belanghebbenden die geen winst nastreefden en opgericht waren om een drainagesysteem, een waterreservoir en een put voor alluviale afzettingen aan te leggen en te exploiteren. De werkzaamheden werden hoofdzakelijk gefinancierd uit staats- en EU-middelen. De belanghebbenden zouden bij de exploitatie van de werken slechts een ‘zeer geringe’ vergoeding krijgen. De vraag was of deze vergoeding een tegenprestatie was in de zin van de BTW-richtlijn. Na de vaststelling dat de exploitatie van de werken in beginsel is aan te merken als economische activiteit in de zin van de BTW-richtlijn, overwoog het HvJ EU:
Kommanditin; PJW] in het beheer van de vennootschappen waarin zij deelnemingen heeft genomen [GmbH & Co. KG’s; PJW], vormt een economische activiteit in de zin van artikel 4, lid 2, van de Zesde richtlijn, voor zover zij inhoudt dat handelingen worden verricht die op grond van artikel 2 van Pro deze richtlijn aan de btw zijn onderworpen, zoals de verrichting van administratieve, financiële, commerciële en technische diensten door de holding ten behoeve van haar dochterondernemingen (zie met name arresten Cibo Participations, C-16/00, EU:C:2001:495, punt 22, en Portugal Telecom, C-496/11, EU:C:2012:557, punt 34).”
7.De ‘eigen kring’
Van Doesum [41] beschrijft dat ‘besloten kring’ c.q. ‘eigen kring’-concept als volgt:
Van Doesumbeschrijft die als volgt: [42]
8.Beoordeling van de middelen
Ondernemerschap/deelname aan het economisch verkeer
BNB1968/229 (zie 7.5) dat de beherende vennoot van een commanditaire vennootschap belast kan presteren aan de C.V., zelfs als die prestaties voortvloeien uit een vennootsplicht.
Gemeente Borselevolgt dat de omstandigheden waaronder zij haar diensten verricht, moeten worden vergeleken met de omstandigheden waarin dit type economische activiteit in de regel wordt verricht en dat zij (mijn parafrase) niet vergelijkbaar is met een aanbieder van deze diensten op de markt omdat zij maar één klant heeft en mag hebben, die net als zij geheel tot hetzelfde concern behoort.
Gemeente Borseleniet gaat over gevallen zoals dat van de belanghebbende, maar over de afbakening van de openbare dienstensfeer ten opzichte van de markt. Dat probleem is in casu niet aan de orde. Voorts valt niet in te zien waarom belanghebbendes diensten - voor haar zakelijke prijzen, waaruit blijkt dat haar diensten waarde toevoegen - naar hun aard niet zouden kunnen worden verricht op de markt door een ongelieerde aanbieder.
Larentia + Minerva(zie 6.14) voorts op dat een
Kommanditinzich tot een GmbH & Co. KG verhoudt zoals een aandeelhouder tot een kapitaalvennootschap en dat tussen verbonden partijen die geen natuurlijke personen zijn, in uitgangspunt zelfstandig in het economisch verkeer wordt gehandeld, zelfs bij beheerdiensten.
Heermavolgt dat bij handelingen tussen maat en maatschap de vereiste zelfstandigheid zich pas kan voordoen als een maat op eigen naam, voor eigen rekening en onder eigen verantwoordelijkheid andere dan beheer- en vertegenwoordigingswerkzaamheden verricht, lijkt mij op zichzelf juist (zie 6.7). Dat in haar geval geen sprake zou zijn van het op eigen naam, voor eigen rekening en onder eigen verantwoordelijkheid verrichten van andere dan beheer- en vertegenwoordigings-werkzaamheden jegens de
partnership, lijkt mij echter onverenigbaar met de niet-onbegrijpelijke feitelijke vaststellingen van het Gemeenschappelijk Hof, die niet met vrucht bij de cassatierechter bestreden kunnen worden. Bovendien moet mijns inziens een rechtspersoon die geen onderdeel van een fiscale eenheid voor de omzetbelasting uitmaakt, vermoed worden zelfstandig op te treden omdat het vereiste van zelfstandigheid, zoals boven bleek, in uitgangspunt slechts dient om ondergeschikten (werknemers) uit te sluiten, behoudens mogelijk uitzonderlijke omstandigheden, waarvoor de bewijslast vanwege hun uitzonderlijke karakter bij degene ligt die hen stelt. De belanghebbende is volgens het Hof niet in een dergelijk bewijs geslaagd. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk.
management agreementmoeten aangaan. Zij meent dat het Hof ten onrechte voorbij is gegaan aan het door haar gestelde daaruit voortvloeiende feit dat zij niet anders kon dan de
management agreementmet [A] sluiten en dus ondergeschikt is aan [A], zo begrijp ik haar. Ook indien deze stelling feitelijke grondslag heeft, is zij onjuist. Niemand heeft de belanghebbende opgedragen de LPA aan te gaan, noch om die aan te gaan zoals zij die is aangegaan. Als het enkele aangaan van een contractuele verplichting tot het leveren van diensten een ondergeschiktheid ten opzichte van de contractpartner zou impliceren, zou mijn aannemer, die contractueel langdurig diensten aan mij moet leveren tegen termijnbetalingen, vanaf het moment van sluiten van de aanneemovereenkomst mijn ondergeschikte zijn. Dat is niet zo. Uit het geciteerde arrest
Lavjérvolgt voorts dat een langdurig exploitatiecontract juist de conclusie rechtvaardigt dat het oogmerk bestaat duurzame opbrengst te verkrijgen, waarbij ook in belanghebbendes geval de vergoeding vooraf en volgens duidelijk criteria is bepaald, én overigens zakelijk en winstgevend is.