Conclusie
middel, dat uiteen valt in een tweetal deelklachten, is gericht tegen de motivering van de bewezenverklaring.
1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1100-2014160007-1 d.d. 3 september 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] en ondertekend door de aangever [verbalisant 1] en voornoemde opsporingsambtenaar.
“De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip ‘aanmerkelijke kans’ afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten.
NJ2015/428, m.nt. Vellinga-Schootstra. Daarmee heeft de Hoge Raad het bestaan van een bijzondere motiveringsplicht in gevallen als de onderhavige waarin de bewezenverklaring berust op een, in voormeld proces-verbaal gerelateerde, verklaring van een verbalisant die tevens benadeelde partij is, afgewezen. Of een plicht tot motivering bestaat moet worden beoordeeld aan de hand van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv.