ECLI:NL:PHR:2018:1284

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 december 2018
Publicatiedatum
13 november 2018
Zaaknummer
17/02846
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22b SrArt. 22g SrArt. 14g Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing taakstrafverbod bij tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf na eerdere taakstraf

In deze zaak staat de toepassing van het taakstrafverbod in het kader van de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf centraal. De verdachte was eerder veroordeeld voor een geweldsdelict en had een taakstraf opgelegd gekregen die volgens het hof was voltooid. Het hof legde vervolgens een taakstraf op en gelastte de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke jeugddetentie.

De verdediging stelde dat het hof onterecht had aangenomen dat de taakstraf was verricht, omdat het uittreksel uit de Justitiële Documentatie hierover geen informatie bevatte. Het hof baseerde zich echter ook op rapportages van het Bureau Jeugdzorg en Jeugdreclassering waaruit bleek dat de taakstraffen waren afgerond, en op verklaringen van de verdachte zelf.

De Hoge Raad oordeelt dat het taakstrafverbod van artikel 22b Sr ook geldt bij de omzetting van een voorwaardelijke vrijheidsstraf in een taakstraf en dat het begrip 'voorafgaand aan het door hem begane feit' moet worden uitgelegd als het nieuwe feit waarvoor de tenuitvoerlegging wordt gevorderd. De klacht dat het hof het verbod onjuist toepaste, wordt verworpen. De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad is dat het cassatieberoep moet worden verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de toepassing van het taakstrafverbod bij de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf.

Conclusie

Nr. 17/02846
Zitting: 4 december 2018
(bij vervroeging)
Mr. P.C. Vegter
Conclusie inzake:
[verdachte]
Het hof ’s-Hertogenbosch heeft de verdachte bij arrest van 22 mei 2017 wegens “mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één week. Het hof heeft voorts beslist op de vordering van de benadeelde partij en in dat verband een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Tot slot heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van de bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 10 september 2013 voorwaardelijke opgelegde jeugddetentie voor de duur van zes maanden en deze vervangen door jeugddetentie voor de duur van één week en een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.
De zaak hangt samen met een zaak onder nummer 17/02845, hetgeen een andere strafzaak tegen dezelfde verdachte betreft. In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Namens de verdachte is cassatieberoep ingesteld. Mr. R.J. Baumgardt en mr. P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, hebben een middel van cassatie voorgesteld.
Het middel richt zich tegen de onjuiste toepassing van het taakstrafverbod in het kader van zowel de strafoplegging als de last tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling, althans voor zover het die last betreft is de motivering daarvan onbegrijpelijk en/of onvoldoende.
Hoewel het in art. 22b Sr vervatte zogenaamde taakstrafverbod de gemoederen nogal bezig houdt [1] , is het opmerkelijk dat de toepasselijkheid van dit verbod in de onderhavige zaak niet in enig proces-verbaal van de zittingen in feitelijke aanleg wordt besproken. De rechtbank heeft een taakstraf opgelegd van vijftig uren en de vordering na voorwaardelijke veroordeling afgewezen. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld en de verdachte verklaart tijdens de behandeling van het appel dat de reden daarvan is dat hij onschuldig is. De advocaat-generaal vordert bevestiging van het vonnis van de rechtbank. Maar ook dan geldt dat appelleren riskeren kan zijn. Het hof heeft het feit niet alleen bewezen geacht, maar zowel vrijheidsstraf opgelegd voor dat feit als de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf gelast. Per saldo is de straf in hoger beroep aanzienlijk verzwaard: twee weken vrijheidsstraf en een taakstraf van 240 uur. Dit kan voor de verdachte een verrassing zijn geweest, maar daarover wordt in cassatie niet geklaagd. Het ligt natuurlijk in een geval als het onderhavige, waarin verdediging noch openbaar ministerie aan het verbod een woord wijden, terwijl naar het oordeel van de rechter dat verbod geldt, nogal voor de hand dat de rechter de vraag of het verbod toepasselijk is ter zitting ter sprake brengt. Een wettelijke plicht daartoe bestaat niet.
6. Het hof heeft in het bestreden arrest onder het kopje “op te leggen straf” het volgende overwogen:
“Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 2 februari 2017, betrekking hebbende op de verdachte, waaruit blijkt dat hij voorafgaand aan het bewezen verklaarde voor een geweldsdelict onherroepelijk is veroordeeld. Doordat aan de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane feit wegens een soortgelijk misdrijf een taakstraf is opgelegd en hij deze taakstraf heeft verricht, is artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht van toepassing.”
7. Het hof heeft in de bestreden uitspraak onder “Vordering tot tenuitvoerlegging” het volgende overwogen:
“De officier van justitie te ‘s-Hertogenbosch heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 6 maanden, opgelegd bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, van 10 september 2013 onder parketnummer 01-839291-13. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aanhangig.
Het hof is ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van oordeel dat, nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf dient te worden gelast.
Op grond van hetgeen omtrent de veroordeelde bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, ziet het hof aanleiding om in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van voormelde voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie een taakstraf te gelasten. Echter, ingeval een rechter in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf een taakstraf gelast, is op grond van artikel 14g lid 2 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat in het onderhavige geval niet kan worden volstaan met de enkele omzetting in een taakstraf, aangezien uit het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 2 februari 2017 blijkt dat aan de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane feit wegens een soortgelijk misdrijf een taakstraf is opgelegd en hij deze taakstraf heeft verricht. Het hof zal daarom naast een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis, tevens jeugddetentie voor de duur van 1 week gelasten.”
8. Art. 22b Sr luidt:
“1. Een taakstraf wordt niet opgelegd in geval van veroordeling voor:
a. een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld en dat een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolge heeft gehad;
b. een van de misdrijven omschreven in de artikelen 181, 240b, 248a, 248b, 248c en 250.
2. Een taakstraf wordt voorts niet opgelegd in geval van veroordeling voor een misdrijf indien:
1° aan de veroordeelde in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane feit wegens een soortgelijk misdrijf een taakstraf is opgelegd, en
2° de veroordeelde deze taakstraf heeft verricht dan wel op grond van artikel 22g de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis is bevolen.
3. Van het eerste en tweede lid kan worden afgeweken indien naast de taakstraf een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel wordt opgelegd.”
9. Art. 14g Sr luidt, voor zover van belang:
“1. Indien enige gestelde voorwaarde niet wordt nageleefd kan de rechter, na ontvangst van een vordering van het openbaar ministerie en onverminderd het bepaalde in artikel 14f,
1° gelasten dat de niet ten uitvoergelegde straf alsnog zal worden tenuitvoergelegd;
2° al of niet onder instandhouding of wijziging van de voorwaarden gelasten dat een gedeelte van de niet tenuitvoergelegde straf alsnog zal worden tenuitvoergelegd.
2. In plaats van een last tot tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf te geven kan de rechter een taakstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, gelasten. De artikelen 22b tot en met 22k zijn van overeenkomstige toepassing.
3. (…)”
10. Voor zover er wordt geklaagd dat het taakstrafverbod onjuist is toegepast omdat niet vaststaat dat de taakstraf is verricht het volgende. Vereist is inderdaad dat de veroordeelde deze taakstraf daadwerkelijk heeft verricht dan wel op grond van art. 22g Sr de tenuitvoerlegging is bevolen van de vervangende hechtenis. [2] Het hof heeft geoordeeld dat de (eerder opgelegde) taakstraf is verricht en de vraag is of het hof tot dat oordeel kon komen. De steller van het middel wijst er terecht op dat het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 2 februari 2017 in de rubriek ‘Volledig afgedane zaken betreffende misdrijven’ een veroordeling van de rechtbank Den Bosch van 10 september 2013 vermeldt ter zake van afpersing waarbij onder meer 200 uren werkstraf en 40 uren leerstraf zijn opgelegd. Over de uitvoering van deze taakstraffen bevat het uittreksel geen informatie.
11. In het proces-verbaal van de zitting van het hof van 8 mei 2017 is vermeld dat de voorzitter de korte inhoud meedeelt van de stukken van de strafzaak zoals die zich in het dossier bevinden. Tot die stukken behoren:
- een “Evaluatie Plan van Aanpak Jeugdreclassering” van het Bureau Jeugdzorg Brabant van 29 september 2014 betreffende [verdachte], waarin (onder meer) is vermeld dat hij op 10 september 2013 is veroordeeld door de meervoudige kamer en dat de werkstraf en de leerstraf al zijn afgerond.
- een “Afsluitrapportage Jeugdreclassering” van 10 september 2015 inhoudende dat [verdachte] op 10 september 2013 is veroordeeld door de meervoudige kamer en dat de leerstraf en werkstraf positief zijn afgerond.”
12. Waarom het hof uit deze documenten niet kon afleiden dat de bij vonnis van de rechtbank Den Bosch van 10 september 2013 opgelegde taakstraffen zijn verricht ontgaat mij. Het is niet onbegrijpelijk dat het hof verband legt tussen de enige openstaande taakstraffen uit het vonnis van 10 september 2013 dat is vermeld in het uittreksel uit de Justitiële Documentatie en de berichten van het Bureau Jeugdzorg en de Jeugdreclassering betreffende datzelfde vonnis en inhoudende dat de taakstraffen zijn voltooid. Verdachte heeft bovendien zelf verklaard dat hij heeft geleerd van een eerdere taakstraf (proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van 15 december 2015, p. 3). Het is niet onbegrijpelijk ook daaruit af te leiden dat verdachte de enige in het uittreksel uit de Justitiële Documentatie openstaande taakstraffen uit het vonnis van 10 september 2013 bedoelt. Het is geen (wettelijke) eis dat de afronding van een taakstraf exclusief moet blijken uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie. [3] Het middel faalt in zoverre.
13. De toelichting op het middel bevat onder 1.6 en 1.7 nog enkele klachten over de motivering van de last tot tenuitvoerlegging. Daaraan ligt kennelijk ten grondslag de mij niet onsympathieke gedachte om het taakstrafverbod zo beperkt mogelijk te houden. Aan de orde wordt gesteld wat hier moet worden verstaan onder ‘voorafgaand aan het door hem begane feit’ als bedoeld in (het toepasselijke) art. 22b, tweede lid onder 1, Sr en gesteld wordt dat een volledige omzetting van een voorwaardelijke vrijheidsstraf in een taakstraf niet is uitgesloten als het een deels voorwaardelijke vrijheidsstraf betreft.
13. Eerst wat in het kader van een vordering en last tot tenuitvoerlegging moet worden verstaan onder (voorafgaand aan) het begane feit. Is dat het in 2015 gepleegde nieuwe feit of het in 2013 gepleegde feit ter zake waarvan (deels) voorwaardelijk is veroordeeld? Naar het oordeel van de steller van het middel is in het kader van de vordering tenuitvoerlegging het begane feit gepleegd in 2013. Omdat voorafgaand aan dat in 2013 gepleegde feit niet is gebleken van oplegging van een taakstraf wegens een soortgelijk misdrijf, is het taakstrafverbod niet van toepassing. De ratio van art. 22b Sr zou tot deze uitleg dwingen. Ik citeer de cassatieschriftuur: “De ratio van art. 22b Sr is immers daarin gelegen dat uitgesloten kan worden dat nogmaals een taakstraf wordt opgelegd, terwijl eerder is gebleken dat de straf de dader er kennelijk niet van heeft weerhouden om opnieuw een (soortgelijk) strafbaar feit te plegen (Kamerstukken II 2009/10, 32 169, nr. 3, p. 5).”
13. De steller van het middel heeft gelijk als hij stelt dat voorafgaand aan het feit uit 2013 geen taakstraf is opgelegd. Ik kan de steller van het middel ook volgen als hij signaleert dat het van toepassing verklaren van art. 22b Sr op de tenuitvoerleggingsbeslissing van een voorwaardelijke veroordeling de vraag oproept wat onder ‘voorafgaand aan het door hem begane feit’ moet worden verstaan, maar in zijn standpunt ga ik niet mee. Het antwoord op die vraag is namelijk: het nieuwe, in 2015 gepleegde, feit waarvoor wordt vervolgd en dat de grondslag vormt van de vordering tenuitvoerlegging wegens overtreding van de algemene voorwaarde. Bepalend is dat de verdachte/veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd ook door het verrichten van een taakstraf niet van een nieuw feit heeft laten weerhouden. Dat is in overeenstemming met de ratio van het taakstrafverbod. De omstandigheid dat de tenuitvoerlegging wordt gevraagd van een vrijheidsstraf die is opgelegd bij (hetzelfde) vonnis waarbij de taakstraffen zijn opgelegd heeft daarbij anders dan de steller van het middel meent geen betekenis.
13. Het lijkt er op dat de steller van het middel in onderdeel 1.7 van de schriftuur het taakstrafverbod in het kader van de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging wil beperken tot (oude) vonnissen waarin louter een kale taakstraf is opgelegd. Hij meent namelijk dat redelijke wetstoepassing meebrengt dat als in 2013 ook vrijheidsstraf is opgelegd het taakstrafverbod om die reden niet geldt. Mij ontgaat dat het verbod slechts zou moeten gelden ingeval van eerdere opgelegde kale taakstraffen. Als in het vonnis uit 2013 was volstaan met een (kale) deels voorwaardelijke taakstraf en het onvoorwaardelijke deel daarvan is verricht, zal ondanks het taakstrafverbod de voorwaardelijke taakstraf kunnen worden tenuitvoergelegd. Art. 22b Sr biedt niet de basis om de taakstraf dan om te zetten in vrijheidsstraf en is dus bij (oude) vonnissen waarin (kale) deels voorwaardelijke taakstraf is opgelegd juist niet van toepassing. De verwijzing in art. 22g Sr naar art. 22b Sr zou zonder zin zijn indien die bepaling niet tevens van toepassing zou zijn op (oude) vonnissen waarin tevens een (voorwaardelijke) vrijheidsstraf is opgelegd.
13. Het middel faalt.
13. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
13. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.In het bijzonder de zogenaamde Valkenburgse zedenzaak, Zie de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge (PHR:2018:1) en het daarop volgende HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:202,
2.HR 9 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3539, NJ 2015/27 r.o. 2.4.
3.Uit een recent opgevraagd uittreksel van 29 oktober 2018 blijkt nog steeds niet dat de taakstraffen zijn voltooid.