ECLI:NL:PHR:2018:1284
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing taakstrafverbod bij tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf na eerdere taakstraf
In deze zaak staat de toepassing van het taakstrafverbod in het kader van de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf centraal. De verdachte was eerder veroordeeld voor een geweldsdelict en had een taakstraf opgelegd gekregen die volgens het hof was voltooid. Het hof legde vervolgens een taakstraf op en gelastte de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke jeugddetentie.
De verdediging stelde dat het hof onterecht had aangenomen dat de taakstraf was verricht, omdat het uittreksel uit de Justitiële Documentatie hierover geen informatie bevatte. Het hof baseerde zich echter ook op rapportages van het Bureau Jeugdzorg en Jeugdreclassering waaruit bleek dat de taakstraffen waren afgerond, en op verklaringen van de verdachte zelf.
De Hoge Raad oordeelt dat het taakstrafverbod van artikel 22b Sr ook geldt bij de omzetting van een voorwaardelijke vrijheidsstraf in een taakstraf en dat het begrip 'voorafgaand aan het door hem begane feit' moet worden uitgelegd als het nieuwe feit waarvoor de tenuitvoerlegging wordt gevorderd. De klacht dat het hof het verbod onjuist toepaste, wordt verworpen. De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad is dat het cassatieberoep moet worden verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de toepassing van het taakstrafverbod bij de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf.