Conclusie
middelklaagt dat het hof het verweer dat de materiële wederrechtelijkheid ontbreekt heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.
3. Situatie Eritrea (bijlagen 2-7)
IND 2014
doorreisvan de vreemdeling heeft geboden”. Volgens de steller van het middel is het “dus niet van belang is dat de illegalen zich in het land bevinden waar het erbarmelijk is maar dat tevens gesproken kan worden van humanitaire bijstand op een deel van die reis en dus de doorreis.” Het voorgaande wekt op zijn minst genomen het vermoeden dat de steller van het middel in de veronderstelling verkeert dat in de onderhavige zaak sprake is van doorreis als bedoeld in art. 197a, eerste lid, Sr. De bewezenverklaring ziet echter op het behulpzaam zijn bij illegale binnenkomst van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in Nederland, door deze personen vanuit Italië binnen Nederland te brengen. Immers heeft het hof bewezenverklaard dat verdachte behulpzaam is geweest bij het verschaffen van toegang tot Nederland en niet het behulpzaam zijn bij doorreis door Nederland. [1] Voor zover het middel ziet op de straffeloosheid op humanitaire gronden ingeval van doorreis mist het derhalve feitelijke grondslag. Ik vat de klacht nu verder zo op dat het hof ten onrechte eraan voorbij is gegaan dat ook voor een deel van de reis, te weten van Italië naar Nederland, sprake kan zijn van het verlenen van humanitaire bijstand, en dat aldus voor het slagen van een zodanig humanitair verweer niet is vereist dat de verdachte de vreemdelingen vanuit het land van herkomst naar Nederland heeft gebracht.
NJ2017/367 m.nt. Vellinga-Schootstra) is de Hoge Raad uitgebreid ingegaan op de schrapping van deze clausule en de mogelijkheid van een beroep op de niet-strafbaarheid van de verdachte wegens het verlenen van humanitaire bijstand. Ik citeer:
Stb.2004, 645, waarbij art. 197a, eerste lid, Sr is ingevoerd. Dit art. 197a, eerste lid, Sr is nadien ten aanzien van het strafmaximum gewijzigd en luidt thans:
Kamerstukken II, 2003/04, 29 291, nr. 7, p. 2-3)
Handelingen II, 16 juni 2004, TK 84-5396)
Handelingen II, 16 juni 2004, TK 84-5398)
Handelingen II, 16 juni 2004, TK 84-5399)
Kamerstukken II, 2003/04, 29 291, nr. 11)
Kamerstukken I, 2004/05, 29 291, C, p. 1-2)
Handelingen I, 7 december 2004, EK 8-390)
feiten en omstandigheden in concreto moet blijken dat de hulp is aangeboden met het uitsluitende doel om de illegale vreemdeling humanitair bij te staan. (…) Bij humanitaire bijstand kan men denken aan hulp van kerkelijke of ideële instellingen die vanuit hun godsdienstige of geestelijke opvatting beogen de menselijke nood van de vreemdeling te lenigen.” [16] Voorts volgt uit het hiervoor geciteerde arrest van de Hoge Raad dat bij humanitaire bijstand vooral kan worden gedacht aan noodtoestand, waarbij de pleger van het feit, staande voor de noodzaak te kiezen uit onderlinge strijdige plichten en belangen, de zwaarstwegende heeft prevaleren. In bijzondere gevallen is voorts een beroep op psychische overmacht denkbaar. [17]