Conclusie
3.Waarover het in deze zaak gaat
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte
under-coverstelselmatig inwinnen van informatie onderscheidt zich van de politiële infiltratie doordat niet actief wordt deelgenomen of meegewerkt aan een groep van personen waarbinnen misdrijven worden gepleegd. De informant is dan ook niet gerechtigd om deel te nemen aan het begaan of beramen van misdrijven. Het onderscheid met stelselmatige observatie is daarin gelegen dat de informant, anders dan de observant, actief binnendringt in de omgeving van de verdachte en actief tracht informatie te verkrijgen teneinde daardoor een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van het leven van de verdachte te verkrijgen. De informant mag bewust en actief verder gaan dan waarnemen of luisteren. Handelingen zoals in casu die strekken tot het onderzoeken of voorbereiden van de mogelijkheid om tot een pseudo-koop of pseudo-dienstverlening te komen, zonder dat er sprake is van het maken van concrete afspraken die strekken tot aflevering van goederen, kunnen naar het oordeel van het hof worden gedekt door het bevel stelselmatige informatie- inwinning. Het hof is mitsdien van oordeel dat het handelen van informant Sam binnen de reikwijdte valt van de opsporingsbevoegdheid van stelselmatige informatie inwinning en binnen het bereik van het daartoe afgegeven bevel door de officier van justitie.
'had started acting upon his latent criminal intent before the investigation’alleen dan een relevant element als niet kan worden vastgesteld dat er voorafgaand aan de undercoveroperatie een (objectieve) verdenking bestond dat een persoon betrokken is geweest in strafbare activiteiten of een predispositie had om soortgelijke strafbare feiten te plegen (vgl. r.o. 56 Ramanauskas v. Lithuania, EHRM 5 februari 2008, nr. 74420/01).
4.Enkele opmerkingen vooraf
5.Het eerste middel
Protecting the right to a fair trial under the European Convention on Human Rights’ van de hand van Dovydas Vitkauskas en Grigory Dikov. [2] Deze in de toelichting op het middel geciteerde passage houdt verder in:
i) Substantive test of incitement
agents provocateurs”. Opvallend is dat het tijdstip waarop de undercoveroperatie werd gestart, in de afweging geen enkele rol speelde. Daarbij zij opgemerkt dat van een strafbaar feit dat al ‘under way’ was, niet kon worden gesproken. Het drugstransport werd juist op verzoek van de politie-informant georganiseerd. Een criterium met een concrete inhoud lijkt wat het EHRM “the relevant factor to be determined” noemt, dus niet te vormen. Het lijkt veeleer te gaan om het te bereiken eindoordeel, waarbij ‘to joint the criminal act’ simpel wordt gebruikt als het tegengestelde van ‘to instigate or to initiate it’.
6.Het vierde middel
7.Het vijfde middel
8.Het tweede middel
III. Opgave van onderzoekswensen: getuigen
- dat de verdachte van raadsman is gewisseld om de te voeren verdediging met een nieuwe blik te laten bezien en dat dit ertoe heeft geleid dat in hoger beroep de schending van het “talloncriterium” door de verdediging centraal wordt gesteld;
- dat de verslaglegging van de undercoveroperatie op belangrijke onderdelen onjuist is, maar dat de verdediging haar kruit op dit punt wenst droog te houden, zodat niet aangegeven kan worden om welke onderdelen het gaat;
- dat bij het eerdere verhoor van de A-getuigen door de rechter-commissaris ten onrechte de beantwoording van bepaalde vragen is belet;
- dat er bij dat eerdere verhoor onvoldoende is doorgevraagd over de instructies die aan de informant Sam en de beide infiltranten zijn gegeven en over het – door de verdediging vermoede – gebruik van opnameapparatuur;
- dat de B-getuigen (de begeleiders van de undercoveragenten) nog niet eerder zijn gehoord, terwijl zij “net zo belangrijk zijn” en door hun verhoor een “completer beeld” kan worden verkregen.
Het hof heeft op diezelfde terechtzitting de advocaat-generaal verzocht om een proces-verbaal van bevindingen te doen opmaken met betrekking tot het eventuele gebruik van opnameapparatuur bij de undercoveroperatie en voorts het verzoek tot het horen van de in de appelschriftuur genoemde getuigen als volgt afgewezen:
wijstvooralsnog het verzoek tot het horen van de A-getuigen
af. Gelet op de omstandigheid dat de getuigen in eerste aanleg in aanwezigheid van de verdediging reeds door de rechter-commissaris zijn gehoord en het dossier voorts uitvoerige processen-verbaal van bevindingen met de verslaglegging van deze informant en infiltranten bevat, is naar het oordeel van het hof het horen van deze getuigen, gelet op de aan het verzoek ten grondslag gelegde motivering, thans niet noodzakelijk.
wijstvooralsnog het verzoek tot het horen van de B-getuigen
af. Gelet op de aan het verzoek ten grondslag gelegde motivering, valt, naar het oordeel van het hof redelijkerwijs aan te nemen dat de verdachte door het niet horen van voornoemde getuigen niet in zijn verdediging wordt geschaad, mede gelet op de zich in het dossier bevindende uitvoerige processen-verbaal van bevindingen van deze getuigen.”
De voorwaardelijke verzoeken van de verdediging
(ii) Procedure deciding on the plea of incitement