Conclusie
middelklaagt dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep nietig is, omdat het hof ten onrechte niet het recht aan de verdachte heeft gelaten het laatst te spreken.
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak heeft het hof in hoger beroep de verdachte niet-ontvankelijk verklaard omdat het hoger beroep te laat was ingesteld. Tijdens de terechtzitting in hoger beroep is echter niet aan de verdachte het recht gelaten het laatste woord te voeren, zoals vereist volgens artikel 311, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Dit is een fundamenteel procesrechtelijk voorschrift waarvan het niet naleven leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting.
De advocaat-generaal bij de Hoge Raad concludeert dat deze nietigheid aanleiding geeft tot vernietiging van het arrest en terugwijzing van de zaak naar het hof. Dit omdat het laatste woord een wezenlijk recht is dat de verdachte de mogelijkheid biedt om nog relevante feiten of omstandigheden naar voren te brengen, bijvoorbeeld over de overschrijding van de termijn voor het instellen van hoger beroep.
Het hof had geoordeeld dat de dagvaarding in persoon was betekend ondanks afwijkingen in handtekeningen, en dat het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk was. De verdediging voerde aan dat de betekening niet correct was, maar het hof achtte de betekening rechtsgeldig. De Hoge Raad stelt dat de procedurele fout omtrent het laatste woord zodanig ernstig is dat vernietiging en terugwijzing noodzakelijk zijn.
De zaak wordt terugverwezen naar het gerechtshof Den Haag voor een nieuwe berechting waarbij het recht op het laatste woord aan de verdachte moet worden verleend. Dit arrest bevestigt het belang van het laatste woord in het Nederlandse strafprocesrecht en benadrukt dat het niet naleven van dit recht tot nietigheid leidt.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting waarbij het laatste woord aan de verdachte wordt verleend.