Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Slotsom
4.Beslissing
30 mei 2017.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van een verdachte die werd veroordeeld wegens bedreiging met feitelijke aanranding van de eerbaarheid en zware mishandeling. Tijdens de terechtzitting in hoger beroep werd de verdachte het laatste woord ontnomen door de voorzitter van het hof, omdat het hof aannam dat de verdachte alleen maar nodeloze herhalingen wilde geven.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof niet heeft gemotiveerd op welke feiten en omstandigheden deze veronderstelling was gebaseerd en dat uit het proces-verbaal niet blijkt dat de verdachte na de onderbreking nog de gelegenheid heeft gekregen het woord te voeren. Dit leidt tot nietigheid van het onderzoek in hoger beroep.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag voor een volledige herbeoordeling, waarbij het recht op het laatste woord van de verdachte moet worden gerespecteerd conform art. 311, vierde lid, Sv en de jurisprudentie van de Hoge Raad.
Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd wegens onrechtmatige beperking van het laatste woord en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.