Conclusie
eerste middelricht zich tegen het oordeel van het hof dat verdachte afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Het
derde middelklaagt dat het hof de afwijzing van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak ontoereikend heeft gemotiveerd en dit verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Deze middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
is niet verschenen.
Bij deze behandeling behoeft u, desgewenst, niet aanwezig te zijn en kunt u – middels onderstaande verklaring – afstand doen van het recht om te verschijnen.”
inhoudelijkebehandeling van zijn zaak aanwezig te zijn. Het hof had in de bijlage die gevoegd was bij de afstandsverklaring daarom ambtshalve aanleiding moeten vinden te onderzoeken of de verdachte daadwerkelijk afstand van zijn aanwezigheidsrecht bij de inhoudelijke behandeling wilde doen en daartoe het onderzoek ter terechtzitting moeten schorsen ten einde hier zekerheid over te verkrijgen. [3] Nu het hof hiertoe niet is overgegaan, is het oordeel dat de verdachte ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht niet zonder meer begrijpelijk.
diezelfde ochtendheeft medegedeeld, de raadsman van de verdachte om aanhouding heeft gevraagd en dat verzoek heeft gebaseerd op de omstandigheid dat hij onvoldoende in de gelegenheid is geweest de verdediging samen met de verdachte voor te bereiden. Ik vraag mij af of de raadsman op dat moment inzage heeft gehad in de afstandsverklaring, in het bijzonder in de daaraan gehechte bijlage, zijnde de kennisgeving van de advocaat-generaal dat het op 9 september 2015 om een pro forma behandeling en niet om een inhoudelijke behandeling zou gaan. Ik kan mij voorstellen dat dat niet het geval is geweest en dat de raadsman op dat moment is afgegaan op hetgeen door de voorzitter ter zitting is medegedeeld. Als het zo gegaan is, wat mij niet onwaarschijnlijk voorkomt, kan het de raadsman niet worden aangerekend dat hij hierover op de zitting van het hof geen klacht naar voren heeft gebracht. Blijkens de cassatieschriftuur die is ingediend door dezelfde raadsman die de verdachte bij het hof heeft bijgestaan, is de raadsman kennelijk nog steeds niet van de precieze achtergrond van de afstandsverklaring op de hoogte. In ieder geval wordt hierop in het middel geen beroep gedaan, hetgeen gelet op de strekking van het middel wel voor de hand had gelegen. Door de gang van zaken op de zitting van 9 september 2015, waarbij de raadsman door het hof, naar alle waarschijnlijkheid onbedoeld want ik vraag mij ook af of het hof zelf de bijlage bij de afstandsverklaring wel goed heeft gelezen, op het verkeerde been is gezet met betrekking tot de aard van de afstandsverklaring. Daarom ben ik van mening, dat de bijlage bij de afstandsverklaring zoals deze zich bij de gedingstukken bevindt, zo nodig ambtshalve bij de beoordeling van het middel moet worden betrokken. En dat leidt tot de conclusie die ik hiervoor al heb getrokken, namelijk dat het oordeel van het hof dat de verdachte ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht niet zonder meer begrijpelijk is.