ECLI:NL:PHR:2017:592

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 mei 2017
Publicatiedatum
5 juli 2017
Zaaknummer
16/00201
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225.1 SrArt. 69 AWRArt. 81.1 ROArt. 359, tweede lid tweede volzin Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor feitelijk leidinggeven aan valsheid in geschrift en onjuiste belastingaangifte met valse facturen

De verdachte, bestuurder en enig aandeelhouder van een autosloopbedrijf, werd door het hof veroordeeld voor feitelijk leidinggeven aan valsheid in geschrift en het doen van opzettelijk onjuiste belastingaangiften. In de administratie van zijn bedrijf werden valse facturen aangetroffen met niet geleverde goederen en valse handtekeningen. Diverse getuigen verklaarden dat zij facturen tegen betaling hadden verstrekt zonder daadwerkelijke levering.

De verdediging voerde meerdere middelen van cassatie aan, waaronder de onbetrouwbaarheid van getuigenverklaringen en het ontbreken van bewijs voor opzet. De Hoge Raad verwierp deze middelen, stellende dat het hof binnen zijn beoordelingsvrijheid de verklaringen betrouwbaar mocht achten en dat de bewijsvoering voldoende was om opzet aan te nemen.

Verder oordeelde de Hoge Raad dat de verdachte ten onrechte voorbelasting had afgetrokken op basis van valse facturen, waarmee de aangiften omzetbelasting opzettelijk onjuist waren gedaan. De samenhang met andere zaken werd erkend, maar de veroordeling bleef in stand. De conclusie van de Procureur-Generaal strekte tot verwerping van het cassatieberoep.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot elf maanden en twee weken gevangenisstraf voor feitelijk leidinggeven aan valsheid in geschrift en onjuiste belastingaangiften.

Conclusie

Nr. 16/00201
Zitting: 23 mei 2017
Mr. E.J. Hofstee
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 11 november 2014 de inleidende dagvaarding ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde nietig verklaard en de verdachte wegens 1. “feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd” en 2. en 3. telkens: “feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd”, [1] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van elf maanden en twee weken.
2. Er bestaat samenhang met de zaken 16/00198P, 16/00199P en 16/00200. Ook in die zaken zal ik vandaag concluderen.
3. Namens de verdachte heeft mr. A.M. Smetsers, advocaat te Nijmegen, vijf middelen van cassatie voorgesteld.
4. Het gaat in deze zaak om het volgende. De verdachte staat geregistreerd als enig aandeelhouder en tevens bestuurder van [A] B.V. , een rechtspersoon die handelt in autosloopmateriaal en auto’s. In de administratie van deze onderneming zijn facturen aangetroffen, waarvan het hof heeft vastgesteld dat zij vals zijn; goederen zijn in werkelijkheid niet geleverd en/of zijn de facturen voorzien van handtekeningen van personen die verklaard hebben die handtekeningen nooit te hebben gezet etc. Deze valse facturen zijn, aldus het hof, ten grondslag gelegd aan de aangiften omzetbelasting van [A] B.V., ten einde het systeem van de heffing van de omzetbelasting te misbruiken.
5. Aangaande het bewijs heeft het hof nog het volgende overwogen:

Met betrekking tot feit 1
In de administratie van verdachtes bedrijf [A] B.V., waarvan verdachte bestuurder en enig aandeelhouder is en waaraan verdachte de dagelijkse leiding geeft, zijn meer facturen gevonden op naam van [B], [C], [D], [E], [F] en [G].
In het dossier bevinden zich verschillende getuigenverklaringen inhoudende dat de getuigen tegen betaling facturen hebben verstrekt aan verdachte, zonder dat zij goederen afleverden. Zo heeft [betrokkene 1] verklaard dat hij in 2007 vier tot vijf blanco facturen met zijn handtekening heeft verkocht aan verdachte voor € 500. Op zijn facturen stond de naam [B]. Ook [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij op verzoek van verdachte facturen heeft gemaakt en dat hij daar per factuur € 500 voor heeft gekregen. Aan hem zijn ook facturen getoond, die in de administratie van verdachte zijn gevonden. De auto’s die op de facturen staan, heeft hij niet geleverd, aldus [betrokkene 2].
[betrokkene 3] van [E] heeft verklaard de in de administratie van verdachtes bedrijf [A] B.V. aangetroffen facturen niet te hebben opgemaakt en de daarop vermelde goederen niet te hebben geleverd. Wel heeft hij verklaard dat hij op verzoek van ene [betrokkene 4] zijn bedrijf heeft opgericht en dat [betrokkene 4] facturen heeft laten drukken en dat [betrokkene 3] ongeveer 25 facturen blanco heeft getekend voor [betrokkene 4] en aan [betrokkene 4] heeft gegeven. De in de administratie van verdachtes bedrijf [A] B.V. aangetroffen drie facturen zijn volgens [betrokkene 3] drie van de door hem getekende 25 blanco facturen.
[betrokkene 5] heeft verklaard dat hij zich met [betrokkene 6] heeft laten inschrijven bij de Kamer van Koophandel en dat dit een idee van [betrokkene 6] was. Hij kent het bedrijf [C] niet. Hij heeft de facturen van dit bedrijf nooit gezien. Hijzelf kan niet schrijven. Hij weet dat [betrokkene 6] facturen op zijn naam heeft besteld. In de tijd dat dit gebeurde, was hij vaak dronken en gebruikte hij heroïne.
Uit de verklaring van [betrokkene 7] blijkt dat [F] van hem is geweest. Aan hem zijn facturen getoond, die in de administratie van verdachtes bedrijf [A] B.V. zijn gevonden. Hij heeft verklaard dat hij deze facturen nooit heeft gemaakt en dat hij nooit onderdelen of een vrachtwagen aan verdachte heeft verkocht.
Verdachte heeft verklaard dat alle bovengenoemde verklaringen onjuist zijn. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Alle hiervoor genoemde getuigen verklaren dat zij de goederen op de bewuste bij verdachte aangetroffen facturen niet hebben geleverd. De getuigen hebben verklaard over de handel in facturen, te weten het los verstrekken aan, dan wel het verkrijgen door verdachte of derden van (getekende) blanco facturen of op verzoek opgemaakte facturen. Dat al deze mensen verdachte een loer hebben willen draaien, zoals verdachte ter terechtzitting heeft gesteld, acht het hof ongeloofwaardig. Nu de verklaringen van de getuigen op voornoemde onderdelen overeenstemmen, de getuigen onafhankelijk van elkaar hebben verklaard en van bedrijven van al deze getuigen facturen in de administratie van verdachtes bedrijf zijn aangetroffen, acht het hof - met de rechtbank - de verklaringen van de getuigen betrouwbaar. Deze zullen voor het bewijs worden gebruikt.
In de administratie van [A] B.V. zijn bovendien ook drie blanco facturen aangetroffen van andere bedrijven, waarvan vertegenwoordigers hebben verklaard de facturen niet te kennen of niet aan verdachte te hebben geleverd.
De valsheid is ook hierin gelegen dat er sprake is van valse handtekeningen. [betrokkene 1] en [betrokkene 7] hebben verklaard dat zij niet hebben geleverd, maar hun facturen zijn wel - voorzien van een handtekening - in de administratie van verdachte opgenomen. Het hof is van oordeel dat de handtekeningen op deze facturen op grond daarvan als vals dienen te worden aangemerkt.
Hieruit volgt dat het onder 1 ten laste gelegde bewezen zal worden verklaard.
Met betrekking tot de feiten 2 en 3
Het hof overweegt - grotendeels conform de rechtbank - als volgt.
Uit de jurisprudentie volgt dat er geen recht op aftrek van voorbelasting bestaat, als de identiteit van de leverancier niet vaststaat of als de op de facturen vermelde leverancier een andere is dan degene die de op de facturen vermelde leveringen heeft verricht. Naar het oordeel van het hof heeft verdachte daarom ten onrechte voorbelasting afgetrokken. Het hof heeft hiervoor reeds overwogen dat er facturen in de administratie van de onderneming van verdachte zijn aangetroffen, waarvan de identiteit van de leverancier niet vaststaat dan wel dat de goederen zijn geleverd door een ander (bedrijf) dan op die facturen vermeld en dat verdachte daarvan wist. Voor zover deze facturen ten grondslag zijn gelegd aan aangiften omzetbelasting zijn deze aangiften opzettelijk onjuist gedaan.
Uit het voorgaande volgt dat het onder 2 en 3 ten laste gelegde bewezen zal worden verklaard.”
6. Het
eerste middel, bezien in samenhang met de toelichting, klaagt dat de valsheid in geschrift niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, nu er een discrepantie bestaat tussen de bewijsmiddelen – voor zover inhoudende dat de goederen niet daadwerkelijk aan [A] zijn geleverd – en hetgeen door het hof bewezen is verklaard, namelijk dat de op de facturen genoemde leveranciers onjuist zijn en/of de handtekeningen daarop vals zijn, en voorts de door de getuigen afgelegde belastende verklaringen, met name die van [betrokkene 1] en [betrokkene 7], onbetrouwbaar zijn.
7. Van de gestelde discrepantie is echter geen sprake. Het aanwezig hebben van facturen met een valse handtekening en/of facturen waarop staat vermeld dat er goederen geleverd zijn, is niet strijdig met de vaststellingen van het hof dat de goederen telkens in werkelijkheid niet zijn geleverd. Daaraan doet niet af dat zich in de administratie van de rechtspersoon of de verdachte hier en daar ook facturen bevonden die aannemelijk maken dat er ook goederen daadwerkelijk zijn geleverd (en weer zijn doorverkocht). Voorts merk ik hier nog maar eens op dat de feitenrechter, binnen de door de wet getrokken grenzen, vrij is om van het beschikbare materieel datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt. [2] Het hof heeft niet onbegrijpelijk de verklaringen van de getuigen, ook die van [betrokkene 1] en [betrokkene 7], betrouwbaar bevonden en kon deze derhalve tot het bewijs bezigen.
8. Het eerste middel faalt.
9. Het
tweede middel, dat op het eerste middel doorborduurt en klaagt dat het hof niet heeft gerespondeerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging ter zake, deelt het lot van het eerste middel. Het hof heeft op basis van de gebezigde bewijsmiddelen feitelijk vastgesteld dat de vrachtwagen in kwestie niet is geleverd. Dat er mogelijk ‘bewijsmiddelen’ zijn die anders willen doen vermoeden, maakt dat niet anders. Voor zover het middel inhoudt dat de verdediging ter zake een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt heeft ingenomen ten aanzien waarvan het hof in de responsieplicht als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv zou zijn tekortgeschoten, wordt over het hoofd gezien dat hetgeen de raadsman ten aanzien van dit punt op de terechtzitting van het hof heeft aangevoerd aan de hand van de pleitnota, niet kan gelden als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt.
10. Ook het tweede middel faalt.
11. Het
derde middelklaagt over het bewezenverklaarde opzet bij feit 1, inhoudend het feitelijk leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van valsheid in geschrift (meermalen gepleegd), waarbij wederom wordt betoogd dat de door de verschillende getuigen afgelegde verklaringen tegenstrijdigheden bevatten en derhalve onbetrouwbaar zijn.
12. In aanmerking genomen dat uit de gebezigde bewijsmiddelen valt af te leiden dat de verdachte andere personen heeft verzocht om facturen op te maken, of blanco facturen te fabriceren, dat deze personen daarvoor betaald kregen, dat die andere personen hebben verklaard dat dit op verzoek van de verdachte gebeurde en dat in werkelijkheid de goederen nooit zijn geleverd dan wel zij nooit een handtekening hebben gezet, is het oordeel van het hof dat de verdachte met opzet heeft gehandeld allerminst onbegrijpelijk. Voor zover het middel nog wil betogen dat het hof te dezen “op geen enkele wijze gereageerd heeft” op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging, faalt het ook in zoverre, nu hetgeen door de verdediging in dit verband naar voren is gebracht niet een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv oplevert. Overigens, ook als daar anders over wordt gedacht treft de klacht geen doel, omdat dan kan worden gezegd dat de weerlegging van dat standpunt besloten ligt in ’s hofs bewijsvoering.
13. Het
vierde middelhoudt in dat geen sprake is van valse facturen en dat de belastingontduiking is gebaseerd op “louter aannames” dat de facturen vals zijn, waardoor de bewezenverklaringen van de feiten 2 en 3 op losse schroeven komen te staan. Het
vijfde middelklaagt met betrekking tot de feiten 2 en 3 erover dat het hof opzet heeft bewezenverklaard, althans dat het hof het desbetreffend bewijsverweer zonder enige redengevende motivering is gepasseerd.
14. Ook deze twee middelen falen gelet op de bewijsconstructie van het hof, meer in het bijzonder voor zover deze betrekking heeft op de valse facturen die ten grondslag zijn gelegd aan de aangiften omzetbelasting, en hetgeen ik in mijn bespreking van de eerste drie middelen heb opgemerkt.
15. Alle middelen kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
16. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
17. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Feit 2 als feitelijk leiding geven aan [A] B.V. als ondernemer in de zin van de wet op de omzetbelasting 1968 en feit 3 als feitelijk leidinggever aan de rechtspersoon en de verdachte zelf als deel uitmakende van een fiscale eenheid voor de omzetbelasting. Een fiscale eenheid vestigt als zodanig nog geen rechtspersoonlijkheid. Aan de constructie van feitelijk leidinggeven van de natuurlijke persoon aan zichzelf als ‘onderdeel’ van de fiscale eenheid heeft het hof echter geen woorden gewijd. Omdat geen van de middelen daartegen opkomt, zal ik dit punt hier niet nader bespreken. Ik volsta slechts met de opmerking dat, zou deze constructie niet door de strafrechtelijke beugel kunnen, in het onderhavige geval altijd nog blijft staan dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de gedragingen van [A] B.V. zoals omschreven in feit 3. Dat maakt dat aan de aard en ernst van het bewezenverklaarde niet wezenlijk afbreuk wordt gedaan indien de zinsnede betreffende “de verdachte als deel uitmakende van een fiscale eenheid voor de omzetbelasting” uit de bewezenverklaring van feit 3 wordt geschrapt. Vgl. HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005
2.A.J.A. van Dorst,