Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
i)de beschikking van 2 februari 2017 van de Rechtbank Amsterdam vernietigd,
ii)de aan PTIF voorlopig verleende surseance van betaling ingetrokken,
iii)PTIF in staat van faillissement verklaard,
iv)en mr. J.L.M. Groenewegen als curator aangesteld.
Kamerstukken II1933/34, 424. Het is nauwelijks voorstelbaar dat de wetgever tegelijkertijd heeft beoogd om in een dergelijk geval de aanwezigheid van de bewindvoerder/curator bij de daarop volgende behandeling in cassatie juist te blokkeren, zonder daar ook maar één woord aan te wijden. Meer algemeen acht de curator het moeilijk voorstelbaar dat behandeling van een cassatieberoep dat is ingesteld tegen de intrekking van de surseance van betaling en in het verlengde daarvan tegen de daarop volgende omzetting in een faillissement, zou kunnen plaatsvinden zonder dat de curator daarbij in de gelegenheid wordt gesteld om verweer te voeren en te worden gehoord. Dat geldt temeer in een geval als het onderhavige, waarin de intrekking van de surseance in eerste instantie ook door de (toen nog) bewindvoerder is verzocht, die intrekking in hoger beroep mede is gebaseerd op het feit dat PTIF onvoldoende met de bewindvoerder heeft samengewerkt en hem onvoldoende heeft geïnformeerd en over die oordelen in cassatie wordt geklaagd. In de commentaren op de regeling van art. 244 Fw Pro wordt overigens ook zonder uitzondering ervan uitgegaan dat bewindvoerder/curator door de griffier op de voet van art. 244 lid 3 Fw Pro voor de behandeling in cassatie dient te worden opgeroepen. Verwezen wordt naar
SDU Commentaar Insolventierecht, art. 244 Fw Pro, C.4;
GS Faillissementswet, art. 244 Fw Pro, aant. 1;
T&C Insolventierecht, 10e druk, art. 244 Fw Pro, aant. 2.
oral hearingook al ruim voldaan; het voordeel van het achterwege blijven van een zitting (wat in insolventieprocedures in cassatie ook gebruikelijk is) is ook dat daarmee de door PTIF opgeworpen partijperikelen worden opgelost;
2.De beantwoording van de voorvraag
De Adviescommissie en de Orde zijn van mening dat voor verzoekschriftprocedures ingevolge de Faillissementswet, gegeven de specifieke rechtsgang die in die wet is neergelegd, de derde titel buiten toepassing zou moeten worden verklaard. Ik deel deze opvatting. In het wetsvoorstel wordt artikel 362 FW Pro dan ook in deze zin gewijzigd.[…].
Overigens verdient het opmerking dat de omvang van veranderingen op dit vlak zullen meevallen. Ten aanzien van verzoekschriftprocedures waarvoor de algemene regeling niet in werking is getreden, past de rechter die algemene regeling zoveel mogelijk analogisch toe[cursivering A-G].” [1]
nietvan toepassing te laten zijn op verzoekschriftprocedures ingevolge de Faillissementswet. Echter, ten aanzien van verzoekschriftprocedures waarvoor de algemene regeling niet in werking is getreden, waaronder dus verzoekschriftprocedures ingevolge de Faillissementswet, past de rechter die ‘algemene regeling’ zoveel mogelijk analogisch toe.
NJ2007/243 merkt A-G Wesseling-Van Gent het volgende op met betrekking tot de betekenis van art. 362 lid 2 Fw Pro: