In deze zaak stond centraal of het hoger beroep van verdachte tijdig was ingesteld. Het hof had de verdachte niet-ontvankelijk verklaard omdat het hoger beroep na de wettelijke termijn was ingesteld. Het hof baseerde zich daarbij op de mededeling uitspraak die op 20 augustus 2015 aan verdachte in persoon zou zijn uitgereikt.
De verdachte stelde dat hij pas op 4 september 2015 bekend was met het vonnis, omdat de mededeling uitspraak niet in persoon was betekend. De Hoge Raad oordeelde dat het hof op grond van de akte van uitreiking terecht had geoordeeld dat de mededeling wel aan verdachte was uitgereikt, ondanks dat op de mededeling onder 'uitgereikt aan naam' niets was ingevuld. De overige persoonsgegevens en de handtekening van de verbalisant ondersteunden dit oordeel.
Een tweede middel dat verwees naar een faxbericht over het ontbreken van een zitting werd niet als cassatiemiddel aanvaard omdat het feitelijke stellingen betrof die niet in cassatie kunnen worden behandeld.
De Hoge Raad zag geen gronden om ambtshalve te vernietigen en verwierp het beroep. Het arrest bevestigt dat de uitleg van stukken en de beoordeling van betekening aan verdachte primair aan de feitenrechter toekomt en dat de Hoge Raad dit slechts op begrijpelijkheid toetst.