Conclusie
Feiten
III. KOOPPRIJS
f2,17391) voor iedere gulden inkomen die in het boekjaar is gegenereerd uit de assurantieportefeuille van de vennootschap.
f42.826,35) per aandeel; derhalve bedraagt de prijs voor de veertig aandelen in totaal eenmiljoen zevenhonderddertienduizend vierenvijftig gulden
(f1.713.054,00).
f1.150.000,00) heeft opgeleverd, zal de prijs van de aandelen worden verlaagd met twee gulden en zeventien en driehonderd eenennegentigste cent (
f2,17391) voor elke gulden dat het inkomen minder bedraagt dan eenmiljoen eenhonderd vijftigduizend gulden (
f1.150.000,00), met dien verstande evenwel dat de prijs te allen tijde tenminste één gulden (
f1,00) zal bedragen.
2.Het procesverloop
hoe dan ooknooit door De Provinciale zou zijn betaald. De rechtbank heeft dit verweer gedeeltelijk gehonoreerd. De rechtbank schat dat De Provinciale zonder het onrechtmatig handelen van Rixtel in staat zou moeten zijn geweest een bedrag van f 300.000,- af te lossen op de rekening-courantschuld aan Hofstad (rov. 2.27.). De rechtbank heeft Rixtel vervolgens veroordeeld om een bedrag van f 300.000,- aan Hofstad te voldoen (rov. 3.5.).
Rov. 28.-31. bevatten een weergave van het oordeel van de rechtbank en de daartegen gerichte grieven. In rov. 32.-34. heeft het hof zich verenigd met het oordeel van de rechtbank dat Rixtel onrechtmatig heeft gehandeld door alle activa van De Provinciale te verkopen, met achterlating van alle passiva en zonder dat de koopprijs voor de activa werd betaald. Het hof heeft in rov. 35.-41. de principale grieven 7 en 8 en de incidentele grieven 6 tot en met 8 beoordeeld. Deze grieven richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat De Provinciale zonder het onrechtmatig handelen van Rixtel in staat zou zijn geweest tot aflossing van de rekening-courantvordering van Hofstad tot een bedrag van f 300.000,- en dat de schade van Hofstad op dat bedrag kan worden begroot. Rov. 35. bevat een weergave van het oordeel van de rechtbank. In rov. 36. heeft het hof grief 8 van het principaal appel verworpen en daartoe overwogen dat het oordeel van de rechtbank op dit punt – anders dan deze grief veronderstelt – niet berust op matiging of een correctie op grond van de redelijkheid en billijkheid.
f1.046.205,-; 1992 (zoals gecorrigeerd in dit arrest):
f1.141.614,-; 1993:
f1.138.753,-). Het hof leidt hieruit af dat de totale omvang van de door De Provinciale beheerde assurantieportefeuille over die periode geen grote wijzigingen heeft ondergaan. Opmerkelijk is echter dat de kosten in deze periode aanzienlijk zijn gestegen, van
f734.643,- in 1991 naar
f1.367.869,- in 1992 en
f1.544.952,- in 1993. Deze kostenstijging is hoofdzakelijk het gevolg van een zeer sterke stijging van de personeelskosten, kantoorkosten en autokosten. Als gevolg van (met name) deze sterke kostenstijging is het bedrijfsresultaat aanzienlijk verslechterd. Werd er over 1991 nog een bedrijfsresultaat geboekt van
f311.564,- positief (resultaat na belastingen
f201.875,- positief), in 1992 was dit
f143.513 negatief (resultaat na belastingen: f 25.821,- positief) en in 1993 zelfs
f346.795,- negatief (resultaat na belastingen:
f253.935,- negatief). Hofstad c.s. hebben geen afdoende verklaring gegeven voor deze forse verslechtering van de resultaten, noch hebben zij gemotiveerd gesteld en onderbouwd dat redelijkerwijs verwacht mocht worden dat de resultaten na 1993 zouden verbeteren. Dat het verlies in 1993 louter en alleen het gevolg was van hoge afschrijvingen op de immateriële en materiële activa, zoals Hofstad c.s. stellen, kan uit de rapporten van Deloitte & Touche niet worden afgeleid. De sterkste verslechtering van het bedrijfsresultaat vond plaats in 1992, in welk jaar de afschrijvingen op de immateriële en materiële activa nog vrijwel gelijk waren aan die in 1991 maar, zoals gezegd, er sprake was van een zeer aanzienlijke stijging van de kosten. De stelling van Hofstad c.s. dat De Provinciale tot en met 1993 een gezonde (het hof begrijpt: winstgevende) onderneming was, blijkt niet uit voormelde jaarstukken. Het eigen vermogen is van
f269.200,- in 1991 en
f295.063,- in 1992 gedaald naar
f41.128 in 1993. De solvabiliteit is volgens het rapport van Deloitte & Touche in 1993 sterk verslechterd. Hofstad c.s. hebben erop gewezen dat De Provinciale in 1993 beschikte over een bedrag van
f229.500,- aan liquide middelen. Dit baat hen echter niet, nu uit het rapport van Deloitte & Touche redelijkerwijs moet worden geconcludeerd dat de verhoging van de liquide middelen samenhangt met een verhoging van de rekening-courantschuld bij Rabobank. Uit het feit dat De Provinciale vanwege het in 1993 gemaakte verlies een bedrag van
f151.000,- aan vennootschapsbelasting tegoed heeft van de belastingdienst, kan evenmin worden afgeleid dat De Provinciale in 1993 een gezonde onderneming was.”
3.Bespreking van de cassatieklachten
ex aequo et bono. Uw Raad verwierp de daartegen gerichte cassatieklachten met de volgende overwegingen:
condicio sine qua nonverband dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de feitelijke situatie (de vaststelling van hetgeen daadwerkelijk is voorgevallen) en de hypothetische situatie zonder de onrechtmatige gedraging (de vaststelling van hetgeen daadwerkelijk zou zijn gebeurd zonder de normschending). [7]
subonderdeel 1cgenoemde stellingen onder (b), onder (c) alsmede de eerste stelling onder (d) hebben betrekking op de boekwaarde van de assurantieportefeuille, het resultaat en het eigen vermogen van De Provinciale en de hoogte van de afschrijvingen op de assurantieportefeuille. Het betreft hier een boekhoudkundige uiteenzetting. De uiteenzetting heeft geen betrekking op de vraag of Hofstad zonder de overdracht van de assurantieportefeuille verhaal zou hebben kunnen nemen op de (inkomsten uit) die portefeuille en in hoeverre zij naar redelijke verwachting van die mogelijkheid gebruik zou hebben gemaakt. Het hof mocht daarom aan de betreffende stellingen voorbij gaan.
f151.000,- aan vennootschapsbelasting tegoed heeft van de belastingdienst, kan evenmin worden afgeleid dat De Provinciale een gezonde onderneming was.” Dit oordeel wordt onjuist of onbegrijpelijk geacht aangezien voor het causaal verband niet nodig is dat De Provinciale een gezonde onderneming was.
Onderdeel IVen de restklacht – die zich richten tegen voortbouwende overwegingen in rov. 36.-42. en het dictum – zijn in zoverre terecht voorgesteld.
20 november 2012 en 26 november 2013. Deze oordelen blijven dus in stand.