ECLI:NL:PHR:2017:325

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 april 2017
Publicatiedatum
9 mei 2017
Zaaknummer
15/03549
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990Art. 78b SrArt. 80a Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens eerdere strafbeschikking gelijkgesteld aan veroordeling

In deze zaak heeft het gerechtshof Den Haag de verdachte veroordeeld voor overtreding van artikel 19 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met een geldboete en een voorwaardelijke rijontzegging. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak. Het middel van cassatie betrof de klacht dat het hof ten onrechte een eerdere strafbeschikking als een veroordeling had meegewogen bij de strafoplegging.

De Hoge Raad verwijst naar een eerder arrest van 3 januari 2017 waarin is vastgesteld dat een strafbeschikking op grond van artikel 78b Sr gelijkgesteld kan worden aan een veroordeling door de rechter in het kader van strafmotivering. Gezien deze rechtspraak is het middel van cassatie klaarblijkelijk ongegrond.

Daarom wordt het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 80a van het Wetboek van Strafvordering. De Hoge Raad benadrukt dat het moment van uitspraak van het arrest beslissend is voor de toepassing van deze regel, niet het moment van indiening van de schriftuur. De verdachte had zijn beroep kunnen intrekken na het arrest van de Hoge Raad van 3 januari 2017, maar heeft dit niet gedaan.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gelijkstelling van strafbeschikking aan veroordeling.

Conclusie

Nr. 15/03549
Zitting: 4 april 2017
Mr. G. Knigge
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 25 juni 2015 door het gerechtshof Den Haag wegens “Overtreding van het bepaalde bij artikel 19 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990”, veroordeeld tot een geldboete van € 600,00 en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor drie maanden.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
3.1. Het middel klaagt dat het hof bij de strafoplegging ten bezware van de verdachte heeft meegewogen dat deze “eerder veroordeeld” is voor een RVV-overtreding, terwijl uit het uittreksel uit de justitiële documentatie blijkt dat het hier gaat om een onherroepelijke strafbeschikking.
3.2. Het middel steunt op de opvatting dat een door het OM opgelegde strafbeschikking in het kader van de strafmotivering niet gelijkgesteld mag worden aan een veroordeling door de rechter. Die opvatting is gelet op het bepaalde in art. 78b Sr onjuist. Zie HR 3 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:7.
3.3. Gelet op het zojuist genoemde arrest van de Hoge Raad is de klacht klaarblijkelijk ongegrond. Dat betekent dat het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO niet ontvankelijk kan worden verklaard. Het feit dat het bedoelde arrest is gewezen nadat de schriftuur in deze zaak binnenkwam, levert naar mijn mening geen reden op om van die niet-ontvankelijkverklaring af te zien, aangezien voor de toepassing van art. 80a RO het moment waarop de Hoge Raad oordeelt beslissend is, niet het moment waarop de schriftuur werd ingediend. De verdachte had in het arrest van de Hoge Raad tenslotte aanleiding kunnen vinden zijn beroep in te trekken, hetgeen hij niet heeft gedaan.
3.4. Het middel is klaarblijkelijk ongegrond.
4. Deze conclusie strekt ertoe dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk wordt verklaard.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG