Conclusie
tweedeen het
derde middel.
tweede middelhoudt in dat het oordeel van het hof, dat het gestelde verzuim is begaan buiten het verband van het voorbereidend onderzoek, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat het hof heeft miskend dat ten verwere is aangevoerd dat sprake was van détournement de pouvoir omdat een toezichthoudende bevoegdheid werd aangewend om een verdenking bevestigd te krijgen om vervolgens verder strafrechtelijk onderzoek te kunnen verrichten. Derhalve - aldus de toelichting op het middel - geeft het oordeel van het hof dat het verzuim is begaan buiten het verband van het voorbereidend onderzoek, blijk van een onjuiste rechtsopvatting en/of is het onbegrijpelijk.
Ten eerste heeft de raadsman aangevoerd dat de politie een bestuursrechtelijke bevoegdheid heeft ingezet voor een strafrechtelijk doel, waarmee ernstige inbreuk is gemaakt op de strafrechtelijke procesorde waardoor de belangen van verdachte zijn veronachtzaamd en diens recht op een eerlijke behandeling tekort is gedaan. De politierechter heeft hier terecht de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie aan verbonden. Subsidiair dient dit te leiden tot bewijsuitsluiting.
Ten tweede heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat art. 2:44 van Pro de APV Soest onverbindend moet worden verklaard, hetgeen betekent dat verdachte niet staande gehouden en vervolgens aangehouden had mogen worden.
In het tweede en derde geval is er geen sprake van een bestuursrechtelijke bevoegdheid op grond waarvan toezichthoudende bevoegdheden mochten worden uitgeoefend. De raadsman heeft betoogd dat, gezien de feitelijke situatie die uit het dossier naar voren komt, niet anders kan worden geconcludeerd dan dat er sprake is van een opsporingsonderzoek. Dat maakt dat de vormverzuimen hebben plaatsgevonden in het voorbereidend onderzoek. De raadsman heeft vervolgens gemotiveerd uiteengezet dat aan deze vormverzuimen de sanctie van bewijsuitsluiting dient te worden verbonden. Daarnaast heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de aanhouding van verdachte onrechtmatig was omdat — kort gezegd — de politie ten onrechte het gereedschap dat bij verdachte is aangetroffen heeft aangemerkt als inbrekerswerktuig. Dit verzuim dient in samenhang met de overige verzuimen te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, subsidiair bewijsuitsluiting.
Toepassing van art. 359a van het Wetboek van Strafvordering is beperkt tot onherstelbare vormverzuimen die zijn begaan bij het voorbereidend onderzoek. Daaronder moet worden verstaan het aan het onderzoek ter terechtzitting voorafgaande onderzoek tegen de verdachte terzake het aan hem tenlastegelegde feit waarover de rechter die in art. 359a Sv wordt bedoeld, heeft te oordelen. Art. 359a Sv is — gelet op de geldende jurisprudentie - niet van toepassing indien het verzuim is begaan buiten het verband van dit voorbereidend onderzoek.
De enkele omstandigheid dat door het niet-inachtnemen van een vormvoorschrift een verdenking ontstaat van een aan de verdachte tenlastegelegd feit of voor dat feit relevant bewijsmateriaal wordt aangetroffen, maakt niet dat daardoor een vormverzuim is begaan binnen het verband waarop de rechter bij toepassing van art. 359a acht slaat. Hetzelfde geldt voor de situatie waarin een ambtenaar - met verzuim van vormen - eerst een niet-strafvorderlijke bevoegdheid uitoefent en daarna overgaat tot opsporingshandelingen. Die overgang betekent niet dat hierdoor ook de niet-strafvorderlijke bevoegdheid geacht moet worden te zijn uitgeoefend in het verband van het voorbereidend onderzoek. Ook de situatie waarin de niet-strafvorderlijke bevoegdheid die met verzuim van vormen is aangewend gelijkenis vertoont met een strafvorderlijke bevoegdheid maakt niet dat een vormverzuim is begaan binnen het verband waarop de rechter bij toepassing van art. 359a acht slaat.
derde middelhoudt in dat het hof niet buiten beschouwing had mogen laten of de APV-bepaling waarop de verbalisanten hun bevoegdheid tot staande houden baseerden al dan niet verbindend was, omdat immers sprake was van aanwending van die bevoegdheid in een voorbereidend onderzoek als bedoeld in art. 359a Sv.
eerste middelklaagt dat het hof niet uitdrukkelijk en / of voldoende (toereikend, juist en / of begrijpelijk) gemotiveerd heeft beslist op het verweer waarin een beroep werd gedaan op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.
vierde middelhoudt in dat het onder 1 bewezenverklaarde medeplegen niet kan worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen.