Conclusie
1.Feiten en procesverloop
alsmede
2.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
eerste onderdeelvan het middel is gericht tegen de rechtsoverwegingen 3.5.3 tot en met 3.5.6 van het arrest van het hof. Deze overwegingen van het hof zien op de uitleg van artikel 2 leden Pro 7 en 8 van de tussen partijen gesloten overeenkomst (zie onder 1.1.2). Het hof heeft daarover het volgende overwogen:
subonderdeel 1.1aanvoert, komt erop neer dat het hof heeft miskend dat in een geval als de onderhavige – waarin twee professionele partijen met elkaar commercieel contracteren en inhoudelijk over de verschillende bepalingen hebben onderhandeld om hun afspraken nauwkeurig vast te leggen – groot gewicht toekomt aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen van de schriftelijke overeenkomst. Het subonderdeel verwijst onder meer naar het arrest Lundiform/Mexx. [3] Deze rechtsklacht krijgt een vervolg in de motiveringsklachten van
subonderdeel 1.2.
In dat verbandoverweegt het hof vervolgens dat [eiseres] geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die in een andere richting wijzen. Daarmee refereert het hof dus niet aan een op [eiseres] rustende stelplicht en bewijslast, maar onderzoekt het wat [eiseres] in het kader van de motivering van haar betwisting van de door WSU gestelde uitleg heeft aangevoerd. Enigszins anders gezegd: het hof brengt met de bedoelde zinsnede tot uitdrukking dat het bestaan van de bedoelde risico’s niet, in ieder geval niet zonder meer, ten voordele van de door WSU bepleite uitleg zou hebben gewogen, indien [eiseres] feiten of omstandigheden zou hebben benoemd die in een andere richting wijzen. Dat getuigt niet van een onjuiste opvatting over de verdeling van de stelplicht en bewijslast, maar is overeenkomstig de taak die art. 149 lid 1 tweede Pro volzin Rv aan het hof opdroeg, namelijk de waardering van de wederzijdse feitelijke stellingen van partijen en van de kwaliteit van de voor die stellingen door hen gegeven motivering.
subonderdeel 1.6zijn, naar moet worden aangenomen, weer gericht tegen rechtsoverwegingen 3.5.3. De klachten richten zich opnieuw ertegen dat het hof bij de aanvang van de feitelijke bouw heeft aangesloten. Volgens het subonderdeel is dit onbegrijpelijk, omdat artikel 2 lid 8 van Pro de overeenkomst (onder 1.1.2 aangehaald) bepaalt dat partijen onder ‘start bouw’ verstaan de start van de bouwrijp werkzaamheden.
tweede onderdeelis volgens de steller van het middel gericht tegen rechtsoverwegingen 3.6.1, 3.6.2 en 3.7.4 van het hof. In werkelijkheid bevat het onderdeel – afgezien van de voortbouwklachten van
subonderdeel 2.1, die geen afzonderlijke bespreking behoeven – niet zozeer klachten over wat deze overwegingen bevatten. In plaats daarvan betoogt
subonderdeel 2.2dat het hof eraan heeft voorbijgezien dat [eiseres] niet alleen heeft betoogd dat de opschortende voorwaarde dat negen van de dertien woonappartementen moesten zijn verkocht door WSU was losgelaten, maar ook dat hetzelfde gold voor de door WSU gestelde, en door het hof aanvaarde, opschortende voorwaarde van het verkrijgen van een onherroepelijke bouwvergunning. Daarbij heeft [eiseres] zich beroepen op (i) de brief van WSU van 8 januari 2007, inhoudende de opdracht om te starten met de bouw [9] en (ii) het verzoek van WSU van 18 januari 2007 aan de notaris om de kopers op te roepen om de leveringsaktes te passeren. [10]
derde onderdeelis gericht tegen de rechtsoverwegingen 3.7.1-3.10 en 3.13.1. In de rechtsoverwegingen 3.7.1 tot en met 3.10 bespreekt het hof of sprake is van een tekortkoming van WSU in de nakoming van haar verbintenissen en zo ja, wat daar het gevolg van is. In rechtsoverweging 3.13.1 bespreekt het hof de primair door [eiseres] gevorderde ontbinding op grond van art. 7:756 lid 2 BW Pro.
lijkthet hof hier de grondslag van [eiseres]’s vorderingen te beperkt weer te geven. Vervolgens wijst [eiseres] op diverse van haar stellingen uit de memorie van antwoord en zegt dat voor zover het hof die stellingen niet in de processtukken heeft gelezen, dit onbegrijpelijk is. Het subonderdeel mist feitelijke grondslag. In rechtsoverweging 3.7.1 geeft het hof uitsluitend weer de feitelijke grondslag die [eiseres]
bij de inleidende dagvaardingaan haar vorderingen tot ontbinding en schadevergoeding heeft gegeven, zoals met zoveel woorden blijkt uit de aanhef van de overweging. Daaruit volgt niet dat de door [eiseres] bij memorie van antwoord aan die grondslag gegeven uitbreiding door het hof niet is onderkend. [11]
onder 3.2.1bouwt voort op subonderdeel 1.4 en deelt dus in het lot daarvan.
onder 3.2.2presenteert zich alsof zij los staat van ’s hofs uitleg van artikel 2 leden Pro 7, 8 en 11 van de overeenkomst (zie de aanhef van alinea 3.2.2). Uit het vervolg blijkt echter dat ook deze klacht voortbouwt op het eerste onderdeel: ze verwijst tot driemaal toe naar artikel 2 leden Pro 7, 8 en 11 en gaat daarbij klaarblijkelijk uit van de door [eiseres] aan die bepalingen gegeven uitleg. In de laatste alinea voorafgaand aan 3.2.3 onderkent de steller van het middel klaarblijkelijk ook zelf dat hij op het eerste onderdeel voortbouwt.
3.Bespreking van het incidenteel cassatiemiddel
Bij niet doorgang vinden van het project zal [WSU] de kosten vergoeden aan [eiseres] inzake artikel 2 lid 5 sub Pro E.’Tussen partijen staat immers vast dat het project geen doorgang heeft gevonden en dat dus in zoverre voldaan is aan het bepaalde in artikel 4 lid 8 van Pro de overeenkomst.
De totale som voor verkoopbegeleiding en begeleiding conform engeneeringsofferte [eiseres] d.d. 12 juli 2005 en aanvullend schrijven d.d. 18 oktober 2005 bedraagt € 39.4540,-- excl. BTW (…)’.WSU heeft bij conclusie van antwoord (nrs. 5.6 en 5.7.) erkend dat zij deze vergoeding aan [eiseres] verschuldigd is en zij heeft zich bereid verklaard deze vergoeding te voldoen. Ook [eiseres] heeft zich op het standpunt gesteld dat WSU in elk geval deze vergoeding aan haar moet voldoen (punt 19 memorie van antwoord).
€ 39.450,— moeten toewijzen, aldus het middel.
verkoopvoorbereidingen
begeleidingconform engineeringsofferte [eiseres] d.d. 12 juli 2005 en aanvullend schrijven d.d. 18 oktober 2005, bedraagt
€ 39.450,—excl. BTW (negenendertigduizendvierhonderdenvijftig Euro, te verhogen met de toepasselijke BTW). De betaling van de werkzaamheden betreffende verkoopvoorbereiding en verkoopbegeleiding geschiedt in drie gelijke termijnen per appartement, eerste termijn bij ondertekening van onderhavige overeenkomst, de tweede termijn bij planacceptatie door het GIW en de derde termijn bij tekening van de koop-/ aannemingsovereenkomst door koper. De betaling van de GIW termijn geschiedt overeenkomstig de door het GIW gehanteerde betalingsregeling. De overeengekomen betalingstermijn is 30 dagen.’
geponeerd– viel er voor [eiseres] weinig of niets te bestrijden. Dat ook de door [eiseres] gegeven uitleg nauwelijks was gemotiveerd (vergelijk de memorie van antwoord onder 19), verandert aan het geval niets: de uitleg van artikel 2 lid 5 sub E van Pro de overeenkomst was in geschil, zodat het hof de knoop diende door te hakken. Dat heeft het hof gedaan op een wijze die mijns inziens niet onbegrijpelijk is.