Conclusie
verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd” en 2. “
verduistering, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
eerste middelklaagt – uitsluitend – over de onjuiste maatstaf die het hof zou hebben toegepast bij de afwijzing van de verzoek
entot voeging van documenten (boekhouding) aan het procesdossier.
Verdachte heeft het verduisterde geld van [A] , zonder dat het op één of ander wijze is geoormerkt, gestort op de rekening van [C] . Door deze storting heeft er vermenging plaats gevonden met de al op de die rekening aanwezige gelden. Vanaf dat moment was het [C] die de beschikkingsmacht had over het geld op de rekening en niet meer verdachte. Dat verdachte penningmeester was van [C] maakt dit niet anders.
onder dezelfde voorwaardenals het geval is met de getuigen à charge. [4] Het EHRM past dus in zoverre art. 6, derde lid, onder d, EVRM naar analogie toe op ‘documentary evidence’. Ook indien wordt aangenomen dat deze verdragsbepaling ‘documentary evidence’ bestrijkt, dwingt zij echter niet tot de toepassing van de maatstaf van het verdedigingsbelang ingeval het verzoek tot voeging van documenten bij appelschriftuur is gedaan. Art. 6, derde lid, onder d, EVRM schrijft immers mutatis mutandis voor dat binnen het bestek van een strafvervolging de toegang tot ontlastende ‘documentary evidence’ wordt verleend
onder dezelfde voorwaardenals die gelden voor toegang tot belastende ‘documentary evidence’ (en vice versa). Indien de inachtneming van de rechten van een eerlijk proces en met name het in art. 6, derde lid, onder d, EVRM verankerde beginsel van ‘equality of arms’ zulks meebrengt, blijkt aan de rechter reeds op die grond de noodzaak van de overlegging van ter terechtzitting afwezige bescheiden, ongeacht of de inhoud van die bescheiden belastend dan wel ontlastend van aard is.
tweede middelkomt op tegen de onder 1 bewezenverklaarde verduistering in dienstbetrekking voor zover die bewezenverklaring ziet op een geldbedrag van € 35.028,45.
toebehorende aan [A] B.V. en/of [B] B.V., welke geldbedragen hij, verdachte, uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van Financial en Operations Manager in de kassen en op de bankrekeningen van genoemde vennootschappen onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;”
het opzet op wederrechtelijke toe-eigening wordt betwist”), [16] waarop het hof als volgt heeft gerespondeerd:
Verdachte heeft bekend dat hij in de periode van 8 mei 2013 tot en met 18 juni 2013 € 65.849,14, afkomstig van [A] B.V. en/of [B] B V. (hierna: [A] ) heeft gestort op de rekening van de voetbalvereniging [C] (hierna: [C] ). Dit geld behoorde verdachte noch [C] toe. In de periode van 10 januari 2012 tot en met 8 oktober 2013 heeft verdachte gelden van de rekening van [C] opgenomen en zich toegeëigend.
dat verdachte de rekening van [C] slechts gebruikte om de verduisterde bedragen van [A] te 'parkeren'” betrekking had op een andere geldstroom, namelijk het (inderdaad verduisterde) overtollige kasgeld van [A] , en dat dit bewijsverweer de verdachte dus niet kan worden tegengeworpen inzake de ‘lening’ aan [C] , en (2) dat het opzet op de wederrechtelijke toe-eigening van het niet-teruggestorte bedrag van € 35.028,45 ontbrak. De verdachte is namelijk belet om dit laatste bedrag terug te boeken naar [A] . [17] Hij kon over dit geldbedrag niet als heer en meester beschikken, aldus de steller van het middel.
zich wederrechtelijk heeft toegeëigend’ ingeval hij dat girale geld – zonder medeweten en instemming van de rechthebbende en buiten de afspraken om – overmaakt naar de rekening van een derde over wiens rekening hij (ook) kan beschikken, zulks (naar ik omwille van de discussie aanneem) met de bedoeling om dat girale geldbedrag later, namelijk op een door hem te bepalen tijdstip, terug te storten. Het hof heeft deze vraag klaarblijkelijk bevestigend beantwoord door als sluitende redenering te presenteren (ik herhaal):
“Het door verdachte gestorte geld op de rekening van [C] was afkomstig van [A] . Deze firma was niet op de hoogte van de storting van de gelden en had hier dus ook op geen enkele manier mee ingestemd. Ook het bestuur van [C] , met uitzondering van verdachte, was niet op de hoogte van de storting van de gelden, laat staan van de lening.”
In het geval van diefstal, een enkele uitzondering daargelaten, openbaart de toe-eigeningswil zich al in de daad van het wegnemen, dus in een feitelijke onttrekking van het goed aan de heerschappij van de rechthebbende. De verduisteraar echter, heeft het goed al onder zich en dat maakt de beoordeling van het toe-eigenen lastiger. Nu de handeling van het wegnemen hier geen objectieve maatstaf kan zijn, zal de toe-eigeningswil op een objectief herkenbare wijze uit een ander ‘positives Tun’ moeten volgen.” [18]
Metde overboeking van het girale-geldbedrag vanaf de bankrekening van een onwetende rechthebbende ( [A] ) naar de bankrekening van de hier bedoelde derde ( [C] ) is de toe-eigening van het geldbedrag reeds voltooid. De ‘toe-eigeningswil’ van de dader is op een als zodanig herkenbare manier in daden omgezet. Het geld is ten koste van de rechthebbende, zonder diens medeweten en instemming, gaan behoren tot het vermogen van de derde. Zodoende heeft de dader dat geld tegen de afspraken in beheerd, [19] terwijl de teruggave van dat geld in elk geval is bemoeilijkt. [20] Bij deze stand van zaken heeft de dader zich het girale geld naar eigen goeddunken ten nutte gemaakt door er als heer en meester over te beschikken, [21] zulks in strijd met de aard van het recht krachtens hetwelk de dader het goed onder zich had. De ‘wederrechtelijkheid’ van een en ander ligt daarenboven besloten in het ontbreken van instemming van hem aan wie het goed toebehoort, zodat de dader heeft gehandeld zonder daartoe gerechtigd te zijn. [22]
derde middelkomt op tegen de bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde.
hij op tijdstippen in de periode van 10 januari 2012 tot en met 8 oktober 2013 te [plaats] en/of [plaats] (telkens) opzettelijk geldbedragen toebehorende aan voetbalclub [C] , welke geldbedragen hij, verdachte, als penningmeester van voornoemde sportvereniging anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.”
Door de raadsman is naar voren gebracht dat verdachte van het onder feit 2 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken omdat niet bewezen kan worden dat verdachte:
nietuit de bewijsmiddelen kan voortvloeien (1) dat de verdachte die geldbedragen
andersdan door misdrijf onder zich had, en (2) dat deze geldbedragen toebehoorden aan [C] , aldus de steller van het middel.
dat het civielrechtelijke eigenaarschap en het strafrechtelijke toebehoorderschap zich niet in één hand bevinden. In dit opzicht zou aan de toebehorensrelatie in art. 321 Sr Pro een sterker disharmonieus karakter toekomen.” [31] Van der Velden in T&Cr Strafrecht noteert in lijn hiermee: “
Voor de betekenis van ‘toebehoren’ lijkt aansluiting bij het civielrechtelijk eigendomsbegrip de hoofdregel, al is dat niet doorslaggevend (…). Voor onder meer geld geldt een afwijkende betekenis: gelden die iemand voor een ander bewaart, blijven, ook bij vermenging met het geld van de bewaarnemer, in strafrechtelijke zin als vermogenswaarde ‘toebehoren’ aan de bewaargever (…).” [32]
Het voorgaande dwingt dus tot de slotsom dat men ‘aan een ander toebehoren’,althans als het om geld gaat, niet zou hebben op te vatten als ‘eigendom zijn van een ander’. Deze slotsom, hoezeer taalkundig gewaagd, moet mijns inziens aanvaard worden zowel om de hechtheid waarmede zij reeds gevestigd is als wegens de rechtvaardiging die zij vindt in de overweging dat enerzijds eigendom los van bezit door de aard van geld vrijwel wordt uitgesloten, anderzijds feiten als waarop de rechtspraak betrekking heeft met verduistering van eens anders eigendom gelijk staan in alles wat voor het strafrecht van belang is.” [33]