ECLI:NL:PHR:2017:1506

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 december 2017
Publicatiedatum
6 februari 2018
Zaaknummer
16/02092
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359 SvArt. 22b SrArt. 8 Wegenverkeerswet 1994Art. 9 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt motiveringsplicht bij oplegging deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor verkeersovertredingen

De verdachte werd door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens meerdere verkeersovertredingen, waaronder rijden onder invloed en rijden terwijl de rijbevoegdheid was ontzegd. Het hof legde een gevangenisstraf van vier weken op, waarvan twee weken voorwaardelijk, en ontzegde de rijbevoegdheid voor zes maanden. De verdachte stelde in cassatie dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom niet volstaan kon worden met een taakstraf.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof in de strafmotivering duidelijk en begrijpelijk heeft aangegeven waarom een vrijheidsbenemende straf noodzakelijk was, mede gelet op de ernst van de feiten en eerdere veroordelingen van de verdachte. De motivering voldoet daarmee aan artikel 359, zesde lid, Sv. Het cassatieberoep faalt en wordt verworpen.

De Hoge Raad benadrukte dat in cassatie niet kan worden getoetst of de strafmaat passend is, maar slechts of de motivering voldoet aan de wettelijke eisen. De strafoplegging is in overeenstemming met de aard en ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verbeurdverklaring van de auto en de rijontzegging blijven gehandhaafd.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf en rijontzegging.

Conclusie

Nr. 16/02092
Zitting: 12 december 2017
Mr. E.J. Hofstee
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 5 april 2016 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1. “overtreding van artikel 8, derde lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994”, 2. “overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994” en 3. “overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken, waarvan twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast is de verdachte de rijbevoegdheid ontzegd voor de duur van zes maanden en is de inbeslaggenomen personenauto verbeurd verklaard.
Namens de verdachte heeft mr. V.P.J. Tuma, advocaat te Amersfoort, één middel van cassatie voorgesteld.
Het
middelklaagt dat het hof de aan de verdachte opgelegde deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf onbegrijpelijk, althans onvoldoende heeft gemotiveerd, mede in het licht van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging.
Het ter terechtzitting in hoger beroep namens de verdachte gevoerde pleidooi houdt voor zover hier van belang het volgende in:
“De tenlastegelegde feiten kunnen bewezen worden verklaard. Mijn cliënt bekent alle drie de feiten. Eind oktober 2015 heeft de politierechter in een andere strafzaak tegen mijn cliënt gezegd dat hij nog een laatste kans verdiende. Een paar weken later krijgt mijn cliënt echter toch een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf opgelegd. Het is daarom niet fair om mijn cliënt voor de onderhavige zaak een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op te leggen. Mijn cliënt maakt een positieve ontwikkeling door en er is een baby op komst. Mijn cliënt gebruikt ook minder alcohol. Ik sluit mij graag aan bij de door de advocaat-generaal gevorderde werkstraf. Mijn cliënt heeft er geen problemen mee dat hij niet meer mag rijden. Tot slot verzoek ik nog om de inbeslaggenomen auto terug te geven aan mijn cliënt.”
5. Het hof heeft de strafoplegging als volgt gemotiveerd:
“De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte en zijn draagkracht, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft onder invloed van een aanzienlijke hoeveelheid alcohol een personenauto bestuurd. Daarnaast heeft verdachte, terwijl hem bij rechterlijke uitspraak de rijbevoegdheid was ontzegd, in een personenauto gereden. Tevens heeft hij een personenauto bestuurd terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Verdachte heeft aldus het belang van de verkeersveiligheid in gevaar gebracht en beslissingen van (rechterlijke) instanties genegeerd.
De feiten zijn dermate ernstig dat niet, zoals door de advocaat-generaal gevorderd en door de raadsman is betoogd, volstaan kan worden met het opleggen van een taakstraf, nog afgezien van het feit dat een taakstraf op grond van het bepaalde in artikel 22b Sr niet aan de orde is. Het hof heeft ook betekenis toegekend aan de omstandigheid dat verdachte, blijkens het Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 8 maart 2016, eerder voor verkeersdelicten, waaronder rijden onder invloed is veroordeeld tot (voorwaardelijke) gevangenisstraffen, hetgeen verdachte er kennelijk niet van heeft weerhouden om dergelijke feiten opnieuw te plegen. Het verweer van verdachte dat de politierechter in een anders strafzaak van heeft gezegd dat hij nog een laatste kans verdiende, doet aan het vorenstaande niet af.”
6. In het midden kan blijven of hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt moet worden aangemerkt. Vaststaat dat het hof de opgelegde straf heeft gemotiveerd en aldus op het betoog van de verdediging heeft gereageerd. Voor zover het middel dat anders ziet, faalt het.
7. In de onderhavige zaak is art. 359, zesde lid, Sv van toepassing omdat het hof een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf heeft opgelegd. Vooropgesteld zij dat de motivering van de oplegging van een vrijheidsstraf begrijpelijk dient te zijn. [1] Niet kan in cassatie worden onderzocht of de juiste straf is opgelegd, of de keuze van factoren die voor de strafoplegging van belang zijn te achten juist is en of de straf voldoende is gewogen aan de hand van de daarvoor in aanmerking komende factoren, zoals de ernst van het feit of de persoon van de verdachte. [2]
8. Het hof heeft in de strafmotivering de – niet onbegrijpelijke – redenen opgegeven die tot de keuze van een onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf hebben geleid en heeft daarmee tot uitdrukking gebracht zich rekenschap te hebben gegeven van de motiveringsplicht die hem ingevolge art. 359, zesde lid, Sv is voorgeschreven.
9. Het middel faalt en kan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden afgedaan.
10. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
11. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.A.J.A. van Dorst,
2.Vgl. HR 18 maart 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9269,