ECLI:NL:PHR:2017:1399
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep tegen voorwaardelijke machtiging op grond van de Wet Bopz
De rechtbank Noord-Holland heeft op 10 juli 2017 een nieuwe voorwaardelijke machtiging verleend aan betrokkene voor de duur van een jaar, vanwege een geestelijke stoornis en het daaruit voortvloeiende gevaar. Betrokkene stelde hiertegen cassatieberoep in. De Hoge Raad behandelde het cassatiemiddel dat zich richtte op het vereiste gevaar en de motivering van de rechtbank.
De klachten betroffen onder meer de beoordeling van het innemen van medicatie, het risico van gevaarzettend gedrag en de mening van betrokkene. De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank voldoende heeft gemotiveerd dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de geestelijke stoornis en het gevreesde gevaar, en dat de voorwaardelijke machtiging noodzakelijk is om het gevaar af te wenden.
Daarnaast werd geoordeeld dat de klachten niet voldoen aan de precisie-eisen en dat de rechtbank terecht heeft afgezien van het risico van vrijwillige medicatie zonder machtiging. De Hoge Raad concludeerde dat de rechtbank op juiste gronden heeft vastgesteld dat het gevaar nog steeds bestaat, ondanks het feit dat het laatste incident uit 2009 dateert.
De conclusie van de Procureur-Generaal strekte tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep op grond van artikel 80a lid 1 RO, hetgeen door de Hoge Raad is gevolgd.
Uitkomst: Het cassatieberoep tegen de verlening van de voorwaardelijke machtiging is niet-ontvankelijk verklaard.