Conclusie
middelklaagt dat het hof ten onrechte het vonnis van de kantonrechter heeft bevestigd, althans het namens de verdachte gevoerde verweer dat het verzet wel ontvankelijk is ten onrechte heeft verworpen.
Overwegingen ten aanzien van het verweer
nadatverzet is gedaan, eenzelfde situatie in het leven wordt geroepen als bij een vrijwillige voldoening die aan de mogelijkheid tot het doen van verzet
voorafgaat. In het laatstgenoemde geval mag het ervoor worden gehouden dat de verdachte zich bij de strafbeschikking heeft neergelegd en zal hij derhalve, indien hij niettemin verzet instelt, daarin niet-ontvankelijk worden verklaard. Dat daarvoor grond is blijkt niet alleen uit de wetsgeschiedenis, [1] maar ook uit de tekst van art. 257e, eerste lid, Sv zelf: door vrijwillige voldoening wordt afstand gedaan van het recht op het doen van verzet. Volgens de wetgever spreekt uit die handeling namelijk dat de verdachte daarvan de gevolgen overziet en zich derhalve bij de strafbeschikking neerlegt. Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat de wetgever daarbij enkel het oog had op de vrijwillige betaling die aan de mogelijkheid tot het doen van verzet voorafgaat. Dat neemt niet weg dat de wetgever in het achtste lid van art. 257e Sv de verdachte na het gedane verzet de bevoegdheid heeft gegeven om tot aan de aanvang van de behandeling ervan dit rechtsmiddel in te trekken. Aan de intrekking kunnen verschillende redenen ten grondslag liggen en een daarvan kan vanzelfsprekend zijn – wettekst en wetsgeschiedenis verzetten zich daar niet tegen – dat de verdachte (alsnog) vrijwillig betaalt.