Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
19 december 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een verzet tegen een strafbeschikking opgelegd wegens overtreding van de Algemene Plaatselijke Verordening Nijmegen. Verdachte stelde verzet in tegen een boete van €140, maar betaalde het bedrag na het instellen van verzet. De kantonrechter verklaarde het verzet niet-ontvankelijk en het hof bevestigde dit oordeel, stellende dat betaling na verzet neerkomt op afstand van het verzet.
De Hoge Raad oordeelt dat uit de wettelijke regeling van art. 257e Sv volgt dat het doen van verzet niet wordt uitgesloten door betaling na het instellen van verzet. Intrekking van verzet is slechts mogelijk tot aanvang van de behandeling en niet door vrijwillige betaling. Het hof heeft dit onjuist beoordeeld door te concluderen dat betaling na verzet het verzet doet vervallen.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde behandeling van het hoger beroep. Hiermee wordt bevestigd dat betaling na het instellen van verzet niet automatisch leidt tot niet-ontvankelijkheid van het verzet.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling.