Conclusie
eerste middelligt de stelling ten grondslag dat het hof ten onrechte de tenlastegelegde overtreding van art. 197 Sr Pro heeft bewezenverklaard, althans dat aan de verdachte door het hof ten onrechte daarvoor een straf is opgelegd, omdat de beschikking tot ongewenstverklaring van 22 oktober 2002, die moet worden aangemerkt als een inreisverbod, ten tijde van de feiten die aan de verdachte zijn tenlastegelegd niet meer van kracht was wegens het verstrijken van de maximale geldigheidsduur op grond van art. 11 lid 2 van Pro de Terugkeerrichtlijn.
nadatde vreemdeling het grondgebied van de EU heeft verlaten. Het HvJ EU heeft bij de beantwoording van de prejudiciële vraag immers expliciet overwogen dat onrechtmatig verblijf van de derdelander, tot het tijdstip dat hij vrijwillig of gedwongen is teruggekeerd naar zijn land van herkomst of een ander land, wordt beheerst door het terugkeerbesluit en niet door het inreisverbod dat pas rechtsgevolgen sorteert nadat de betrokkene het land heeft verlaten. Dat doet vragen rijzen over de strafbaarstelling van illegaal verblijf van derdelanders zoals deze thans in Nederland is vormgegeven.
tweede middelklaagt over de strafoplegging. Betoogd wordt dat het oordeel van het hof dat het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet in strijd is met de Terugkeerrichtlijn van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans dat de strafoplegging onvoldoende is gemotiveerd, omdat het hof heeft miskend dat het feit dat de terugkeerprocedure in het (verre) verleden al eens is doorlopen niet zonder meer betekent dat die procedure in de nabije toekomst niet nogmaals zal worden doorlopen en dat de oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf die toekomstige procedure zal kunnen belemmeren.