Ik zal proberen mijn boosheid te onderdrukken. Het is vrij bijzonder dat in hoger beroep over een verweer van mij bij de rechtbank dat slaagt wordt gezegd dat ik dat beter niet had kunnen voeren vanuit het belang van mijn cliënt. Laat ik vooropstellen dat ik degene ben die bepaalt wat er in de verdediging gebeurt samen met mijn cliënt en ook verweren voer zoals ik ze wil voeren. Als de advocaat-generaal dan in het bijzijn van mijn cliënt aangeeft dat ik dat beter niet had kunnen doen vind ik dat een beschuldiging die niet kan in deze rechtszaal. De advocaat-generaal heeft het ook over het fulmineren, maar dat heb ik helemaal niet gedaan. Ik heb aan de advocaat-generaal gevraagd om het hoger beroep in te trekken gelet op de belangen van mijn cliënt. Dat is het enige wat ik in deze zaak heb gevraagd. De advocaat-generaal heeft toen aangegeven erover na te denken en het rapport van Gotink afte wachten. Vervolgens is het rapport gekomen, waarin is aangegeven dat het doorzetten van de vervolging niet in het belang van mijn cliënt is, waarop ik de advocaat-generaal opnieuw heb gevraagd de zaak in te trekken, waarop hij toch besloten heeft het door te zetten. Dat is een beslissing die de advocaat-generaal moet nemen, maar als ik kijk naar de criteria van de Hoge Raad, dan zijn die misschien door de rechtbank wat ruim uitgelegd, maar in uitzonderlijke gevallen kan er sprake zijn van schending van de beginselen van een redelijke en billijke belangenafweging. Die afweging heeft de rechtbank gemaakt en ik ben het wel met de advocaat-generaal eens dat de rechtbank wat op de stoel van het Openbaar Ministerie is gaan zitten, maar nu is er weer een aantal zaken bijgekomen bovenop de beslissing van de rechtbank.
Naast de omstandigheden die de rechtbank heeft aangehaald, wil ik het hof er nog enkele voorhouden.
Dat is allereerst het tijdsverloop. Het incident vond plaats in juli 2013 en de rechtbank had al geoordeeld dat er sprake was van tijdsverloop, maar inmiddels is daar in hoger beroep ook sprake van. In de periode ertussen is door het Openbaar Ministerie niet de grootste snelheid betracht. De zaak had ook binnen twee á drie maanden op zitting gezet kunnen worden en dat is ook niet gebeurd.
Daarnaast is de psychische toestand van mijn cliënt ten tijde van de bedreiging van belang. Ik wijs daarbij op het rapport van aangeefster, pagina 9, waar staat dat zij cliënt eerder heeft bezocht en dat hij daarna volkomen ontregeld was en gevraagd heeft om separatie. Het was het bezoek van aangeefster dat hem heeft ontregeld en als zij dan voor de tweede keer komt met een negatief advies, dan had zij in enige vorm rekening kunnen houden niet de mogelijkheid van weer een ontregeling.
Vervolgens zie je iedere keer als het over deze zaak gaat dat het cliënt blijft ontregelen. Ook op de zitting in eerste aanleg is hij een tijdje naar beneden geweest en ook in het rapport van Gotink wordt aangegeven dat deze zaak voor cliënt alleen maar meer nadeel oplevert.
Dan merk ik opdat het opgewekte vertrouwen een rol speelt, nu er aangifte was gedaan en er door de politie niets mee is gedaan. Het bleef daardoor onduidelijk en ook dat punt had mee genomen kunnen worden bij de beslissing te vervolgen.
Vervolgens is er als het gaat om tbs’ers en situaties waarin zij in een kliniek ontregeld raken een sepot met code 23. Die code is er voor dit soort situaties en daarnaast is er nog een sepot met code 53 waar allerlei beleidssepots onder vallen. Als de advocaat-generaal het heeft over precedentwerking dan merk ik daarover op dat er heel veel feiten worden afgedaan met code 23.
Dan kom ik op de ernstige gevolgen voor mijn cliënt. Hij is extreem benadeeld door deze strafvervolging. Toen [betrokkene] kwam, was er sprake van een situatie of mijn cliënt kon worden overgeplaatst via transmuraal verlof naar Den Dolder. Dan kon alleen via een dergelijk verlof en dat wist [betrokkene] ook. Door de vervolging van mijn cliënt kon het verlof niet worden aangevraagd en heeft de penitentiaire kamer van het hof beslist dat de tbs moest stoppen en via een rechterlijke machtiging is dat traject ingezet. Aangeefster heeft een rapport geschreven en daarin een rol gespeeld.
Dan houd ik het rapport van Gotink nog een keer voor, waarin staat dat straf geen enkel effect zal hebben en dat cliënt daarvoor te veel psychiatrisch patiënt is. Volgens de advocaat-generaal dient toch overgegaan te worden tot vervolging, ook vanwege het belang van aangeefster en de precedentwerking. Wat betreft het belang van aangeefster merk ik opdat het voor haar heel vervelend moet zijn geweest, maar aan de andere kant zou je kunnen zeggen dat als je haar rapport leest dat ze ook wel iets van begrip had kunnen wekken naar de patiënt toe.
Daarnaast wordt ook aangegeven dat zij in alle vrijheid haar werk moet kunnen doen. Uiteraard, maar dat is hier ook gebeurd. Zij had een negatief advies uitgebracht en nadat zij aangifte heeft gedaan kwam de zaak een week later op zitting, waar mijn cliënt meteen tegen haar heeft gezegd dat het hem spijt. Hij heeft drie keer zijn excuses aangeboden. Hij heeft geprobeerd naar haar toe een situatie te creëren waarin zij haar verhaal kon doen en zij heeft ook ter terechtzitting in alle vrijheid dat gedaan. Verdachte heeft toen dus direct zijn excuses aangeboden zodat de situatie waarin zij zich onveilig zou hebben gevoeld voor een groot deel weggenomen zou moeten zijn en bovendien wist zij ook van zijn psychische toestand. Bovendien, als we verder kijken naar de situatie van aangeefster, dan is zij doorgegaan met het werk wat zij deed. Het is niet zo dat zij in een burn out of wat dan ook terecht is gekomen. Los van de vervelende situatie zijn de gevolgen voor haar te overzien geweest.
Over de precedentwerking merk ik nog op dat de lijn van de Hoge Raad inhoudt dat er sprake is van niet-ontvankelijkheid in uitzonderlijke gevallen en ik vind dat deze zaak zich leent voor een dergelijk geval. Als het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat, vraag ik mij af welke precedentwerking het dan moet hebben. Iedere keer moet de rechtbank of het hof of het Openbaar Ministerie een beslissing nemen. Ik zie de precedentwerking niet, nu het afhankelijk is van allerlei omstandigheden.
Daarnaast ligt er al een beslissing van de rechtbank in deze zaak en die zou ik ook kunnen gebruiken in een andere zaak. Ik heb ook tegen het Openbaar Ministerie gezegd dat als dat het probleem is, ik best op papier wil zetten dat ik er geen ruchtbaarheid aan zal geven. De advocaat-generaal vond dat een mooie eerste stap, maar dat heeft niet geleid tot het intrekken van het appel. Kortom, gelet op de omstandigheden die ik zojuist heb omschreven en bij een redelijke en billijke belangenafweging en een marginale toetsing en het rapport van Gotink had het appel niet voortgezet moeten worden en de beslissing van de rechtbank in stand moeten blijven. Ik verzoek het hof derhalve die beslissing te bevestigen.
Subsidiair verzoek ik om vrijspraak. Ik zal het hof niet vragen de zaak terug te wijzen naar de rechtbank wanneer het hof niet overgaat tot het niet-ontvankelijk verklaren van het Openbaar Ministerie, gelet op het belang van mijn cliënt. Het is van belang dat de zaak vandaag zal worden afgedaan. Ten aanzien van de vraag naar het bewijs merk ik op dat mijn cliënt aangeeft dat het op een andere dag heeft plaatsgevonden en op een andere plaats.