Conclusie
allegeschillen tussen partijen omvat (rov. 3.5.6). De reconventionele vorderingen staan derhalve niet voldoende ‘in relation to this agreement’ als bedoeld in art. 26 van Pro de aandeelhoudersovereenkomst, zodat het arbitragebeding niet van toepassing is (rov. 3.5.7).
2.Bespreking van het cassatiemiddel
allegeschillen tussen partijen,
contractual o no contractual, hieronder worden begrepen. Het subonderdeel faalt derhalve.
Universal Music/Schilling. [5] Volgens het subonderdeel is sprake van een motiveringsgebrek, omdat het hof niet duidelijk heeft gemaakt welke andere aanknopingspunten tot de conclusie moeten leiden dat de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan in Amsterdam moet worden gelokaliseerd.
Kolassa/Barclays Bankhet volgende beslist:
Kolassa-arrest volgt kennelijk dat daarvoor meer is vereist, zoals ‘onder meer’ de omstandigheid dat het slachtoffer schade heeft geleden die zich rechtstreeks voordoet op zijn bankrekening bij een in het rechtsgebied van de rechter van het Erfolgsort gevestigde bank. Uit de door het Hof gebruikte woorden ‘onder meer’ volgt dat ook andere omstandigheden mogelijk een rol kunnen spelen. Welke omstandigheden dat zijn, heeft het Hof in het
Kolassa-arrest niet genoemd. [10]
Universal Music/Schilling. Uit dit arrest volgt dat onder bijkomende omstandigheden de vestigingsplaats van het slachtoffer als Erfolgsort in aanmerking mag worden genomen. Ik citeer uit het arrest van HvJEU inzake
Universal Music/Schilling:
Danvaern/Otterbeckheeft het (toenmalige) HvJEG geoordeeld dat art. 6 sub Pro 3 van het (destijds geldende) EEX-Verdrag [13] geen betrekking heeft op het geval dat een verweerder louter als verweer een schuldvordering inroept die hij op de verzoeker zou hebben. Art. 6 sub Pro 3 EEX-Verdrag regelt de voorwaarden waaronder een gerecht bevoegd is uitspraak te doen op een afzonderlijke eis, strekkende tot het verkrijgen van een afzonderlijke veroordeling. [14] Art. 6 sub Pro 3 EEX-Verdrag verschilt inhoudelijk niet van art. 6 sub Pro 3 EEX-Vo. Het arrest behoudt daarom ook voor de uitleg van art. 6 sub Pro 3 EEX-Vo zijn betekenis. [15]
Kostanjevec). [16] Het HvJEU heeft benadrukt dat de formulering dat de tegenvordering ‘voortspruit uit de overeenkomst of uit het rechtsfeit waarop de oorspronkelijke vordering gegrond is’ autonoom dient te worden uitgelegd, met inachtneming van de doelstellingen van de EEX-Verordening. Eén van die doelstellingen is krachtens punt 15 van de considerans van de EEX-Verordening dat ‘met het oog op een harmonische rechtsbedeling’ parallel lopende processen zoveel mogelijk moeten worden beperkt en moet worden voorkomen dat in twee lidstaten onverenigbare beslissingen worden gegeven. Het HvJEU heeft in het kader van de autonome uitlegging van art. 6 sub Pro 3 EEX-Vo het volgende overwogen:
Kostanjevec-arrest geoordeeld dat sprake is van een gemeenschappelijke grond tussen de reconventionele vordering en de oorspronkelijke vordering. Hoewel in die zaak de oorspronkelijke vordering op een overeenkomst berustte en de tegenvordering op ongerechtvaardigde verrijking, hadden de wederzijdse aanspraken een gemeenschappelijke grond, namelijk de leaseovereenkomst. Aan de vorderingen lag derhalve een gezamenlijk feitencomplex ten grondslag. Het
Kostanjevec-arrest geeft een ruime uitleg aan het samenhangcriterium van art. 6 sub Pro 3 EEX-Vo teneinde met het oog op een goede rechtsbedeling parallelle procedures te voorkomen en het risico op onverenigbare beslissingen te vermijden.
Kostanjevec-arrest, ben ik van mening dat de Nederlandse rechter bevoegd is om op grond van art. 6 sub Pro 3 EEX-Vo van de vordering inzake de omlegging van de boekingsgelden kennis te nemen. Dat de in conventie bestreden emissie van latere datum is dan de omlegging van de boekingsgelden, doet hieraan niet af. Het onderdeel faalt derhalve.