Conclusie
2.[eiser 2] ,
VvE Ameland State/Mink c.s.) en van dezelfde datum ECLI:NL:HR:1995:ZC1667, NJ 1996/595, m.nt. W.M Kleijn (
Novamij/VvE Duinroos-Duindistel), beide keren rov. 3.3. Ik acht de cassatiepoging tevergeefs.
(…)
a. (…)
(…)
(…)
Verslaglegging en evaluatie van het in gebruik geven van appartementen.
Voorstel opleggen boete door de Ledenvergadering
het oog hierop wordt aan de Ledenvergadering voorgesteld om een boete conform artikel 39 lid 2 van Pro het (model-)reglement van splitsing en afwijkend opgenomen onder punt p van de akte van splitsing van fl. 1.000 of in euro’s € 453,78 per overtreding op te leggen aan de [ [eiser c.s.] ].
Melding te laat = 8 * € 453,78 = € 3.630,24.
Meer dan 10 * verhuurd = 8 * € 453,78 = € 3.630,24.
Melding te laat = 4 * € 453,78 = € 1.815,12.
Meer dan 10 * verhuurd = 4 * € 453,78 = € 1.815,12.
Melding te laat = 7 * € 453 78 = € 3.176,46.
Meer dan 10 * verhuurd = 7 * € 453,78 = € 3.176,46.
VvE Ameland State/Mink c.s. [2] ). Wel bestaat er volgens de kantonrechter een grondslag voor de boetes met betrekking tot de schending van de meldingsplicht, nu de administratieve regels uit het huishoudelijk reglement voor wat betreft het melden van een ingebruikgeving hun grondslag vinden in zowel het splitsingsreglement als de splitsingsakte. In totaal is daarom volgens de kantonrechter een boete van € 5.445,36 voor [eiseres 1] en een boete van € 3.173,46 voor [eiser 2] toewijsbaar, vermeerderd met wettelijke rente. Ik citeer de kernoverwegingen (ook omdat die een rol spelen in het cassatiemiddel):
grief 1 van de VvEbetoogt deze dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat geen strijd bestaat met de woonbestemming zolang is voldaan aan de eis van de aanwezigheid van één huishouden.
Grief 2 van de VvEklaagt over het oordeel dat een geldige grondslag voor de boetes met betrekking tot de verhuur voor meer dan tien keer per jaar ontbreekt.
Grief 1 van [eiser c.s.]betoogt daarentegen dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de boetes die zien op het niet of niet tijdig melden van een ingebruikgeving zijn gebaseerd op een geldige bepaling uit het huishoudelijk reglement. Het hof zal deze grieven gezamenlijk beoordelen.
2.Bespreking van het cassatieberoep
onderdeel 1kon het hof – waar het zowel de principale als de incidentele grieven heeft verworpen – niet ambtshalve de gronden van het dictum wijzigen zoals het heeft gedaan in rov. 3.4-3.7, waarmee buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden. Volgens het onderdeel hebben [eiser c.s.] belang bij deze klacht, omdat ingeval het bestreden arrest gezag van gewijsde zou krijgen, de rov. 6 en 9 van het vonnis van de kantonrechter zouden worden ontkracht.
falen (rov. 3.15), niet (zelfstandig) de gronden van het dictum kan wijzigen, berust de klacht ook dan op een verkeerde lezing van het arrest. Het hof heeft namelijk in rov. 3.7 geoordeeld dat de grieven 1 (grondslag boetes verhuur meer dan tien keer per jaar ontbreekt) en 2 (geen strijd met woonbestemming als niet meer dan één huishouden aanwezig is) van de VvE op zichzelf terecht zijn voorgedragen, maar dat dit niet tot vernietiging kan leiden, omdat dat zou resulteren in het opleggen van twee boetes voor dezelfde verhuurovertreding en dat is niet wat in de splitsingsstukken als uitgelegd door het hof besloten kan liggen, zo volgt uit rov. 3.6. Het “falen” uit rov. 3.15 moet dus worden opgevat als: het uiteindelijk niet tot vernietiging kunnen leiden, omdat dit geen ander dictum oplevert.
subonderdeel 2.1hierop voort met de klacht dat rov. 3.4 onjuist is, nu het hof door verwerping van de principale grieven gebonden was aan hetgeen de kantonrechter in rov. 6 van zijn vonnis heeft overwogen.
Onder 3.1wordt aangevoerd dat het hof gebonden was aan het oordeel van de kantonrechter in rov. 9, omdat het hof de principale grieven heeft verworpen.