Conclusie
De zaak hangt samen met die tegen [de opgeëiste persoon 2] (nr. 15/04946 UA), de echtgenote van de opgeëiste persoon, waarin ik vandaag eveneens conclusie neem.
eerste middelklaagt over schending van artikel 14 van Pro het Uitleveringsbesluit Aruba, Curaçao en Sint Maarten [1] (hierna: Uitleveringsbesluit) en de artikelen 6 en 10 EVRM “doordat het voorgeschreven verhoor van [de opgeëiste persoon 2] met gesloten deuren heeft plaatsgevonden”, en doordat de opgeëiste persoon niet in persoon is gehoord maar via videoconferentie terwijl daarvoor geen wettelijke grondslag bestaat.
tweede middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft aangenomen dat met betrekking tot het als eerste aangeduide feit voldaan is aan de vereiste dubbele strafbaarheid. Het feit zou naar het recht van Sint Maarten niet als het plegen van dood door schuld kunnen worden aangemerkt omdat de feiten in het uitleveringsverzoek zijn omschreven als “aiding and abetting” zodat het hof zou zijn uitgegaan van “een vorm van strafbaarheid die het recht van Sint Maarten niet kent.” Terzijde merk ik op dat de raadsman ter zitting van het hof, blijkens de daar overgelegde pleitnota, geen punt heeft gemaakt van de vereiste dubbele strafbaarheid en daar heeft opgemerkt dat de feiten in beide landen strafbaar zijn. [4]
derde middelbehelst de klacht dat met betrekking tot het derde feit waarvoor de uitlevering is verzocht, niet is voldaan aan de vereiste dubbele strafbaarheid omdat de strafbaarheid naar het recht van de Verenigde Staten betrekking heeft op het afleggen van een valse verklaring terwijl dat niet strafbaar is naar het recht van Sint Maarten. Onder verwijzing naar Titel 18 § 1001(a)(2) United States Code, houdt de toelichting op het middel het volgende in: