Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Beoordeling van het cassatieberoep
onderdeel 1.2geldt het voorgaande althans in een geval als het onderhavige, dat gekenmerkt wordt door in het bijzonder (één of meer van) de volgende omstandigheden, die in de onderhavige zaak (althans bij wege van hypothetisch feitelijke grondslag) vaststaan:
Bij het slagen van een van de voorgaande onderdelen kunnen ook de in de rov. 6-14 gegeven oordelen niet in stand blijven, aldus
onderdeel 1.3.
Art. 37 Fw Pro is alleen van toepassing op wederkerige overeenkomsten die
van beide kantennog niet of niet geheel zijn nagekomen. Heeft de schuldenaar wel volledig aan zijn verplichtingen voldaan, dan zal de wederpartij de tegenprestatie aan de boedel moeten voldoen. Is de wederpartij geheel nagekomen, dan heeft zij voor de tegenprestatie (of de geschatte waarde daarvan overeenkomstig art. 133 Fw Pro) een vordering op de gefailleerde, die ter verificatie moet worden ingediend. [8] Tijdens het faillissement kan immers niet op andere wijze nakoming worden gevorderd (art. 26 Fw Pro).
De ratio van de bijzondere regel van art. 37 Fw Pro is primair gelegen in het bieden van zekerheid aan de wederpartij van de schuldenaar. Zonder verklaring van de curator dat hij de overeenkomst wel of niet gestand doet, verkeert de schuldenaar in onzekerheid, zowel over het al dan niet zullen ontvangen van de prestatie waarop hij nog recht heeft, als over het al dan niet nog moeten leveren van zijn eigen prestatie ("
Die onzekerheid omtrent den definitieven uitslag, die hem noodzaakt om op beide eventualiteiten, zoowel van nakoming als niet-nakoming, voorbereid te zijn, kan hem groote schade toebrengen....") [9] . De vereiste verklaring van de curator tot het al dan niet gestand doen van de overeenkomst maakt een einde aan die onzekerheid. [10] Ook de in lid 2 verplichte zekerheidsstelling door de curator bij gestanddoening van de overeenkomst draagt bij aan zekerheid voor de wederpartij. [11]
last but not least, de regeling van art. 37 Fw Pro bepaalt niets voor het geval dat de wederpartij of de curator stilzitten; de wederpartij door geen actie te ondernemen als de curator kiest voor het niet-gestanddoen van de overeenkomst of, al op een eerder moment, door de curator geen termijn te stellen, en de curator door de wederpartij geen termijn te stellen als zij niets doet.
Het Voorontwerp geeft ook een regeling voor het geval waarin de curator de overeenkomst niet gestand doet, maar de wederpartij de overeenkomst niet ontbindt maar alsnog nakoming vordert, waarna zij haar volledige nakomingsvordering indient in het faillissement zonder dat zij haar daartegenover staande prestaties hoeft te verrichten (de casus van het Heerenveense reuzenrad [17] , waarover ook noot 26 en 28). Voor dat geval bepaalt het nieuwe lid 4 van art. 3.4.1 Voorontwerp dat de vordering tot nakoming slechts kan worden ingediend tot maximaal het bedrag waarop de wederpartij aanspraak zou kunnen maken tot vergoeding van haar schade, indien zij de overeenkomst – voor zover nog niet uitgevoerd – wegens een tekortkoming van de schuldenaar had ontbonden.
Over wat er moet gebeuren in een situatie als de onderhavige, waarin de wederpartij na niet-gestanddoening door de curator geen actie onderneemt - zie daarover hierna bij punt 2.10 - zegt het Voorontwerp niets.
toekomst, zowel van de schuldenaar (de failliet) als van diens wederpartij. Deze uitleg brengt mee dat bij niet-gestanddoening van de overeenkomst de curator niet het recht verliest om nakoming te vorderen van een vordering die de tegenprestatie vormt van een reeds vóór datum faillissement verrichte prestatie van de schuldenaar. Het verlies van het recht op nakoming heeft alleen betrekking op nog te verrichten toekomstige prestaties. Voor deze restrictieve uitleg zijn verschillende argumenten aan te voeren. De meeste daarvan zijn ook te vinden in het arrest van het hof Den Haag. In het navolgende zal ik die argumenten bespreken, waarna ik vervolgens in ga op de argumenten die tégen een restrictieve uitleg pleiten. Daarna volgt de conclusie.
Indien eene wederkerige overeenkomst ten tijde van de faillietverklaring zoowel door den schuldenaar als door zijne wederpartij in het geheel niet of slechts gedeeltelijk is nagekomen, is deze laatste bevoegd den curator te sommeeren binnen acht dagen te verklaren of hij de overeenkomst gestand wil doen. Indien de curator zich daartoe binnen dien tijd niet bereid verklaart, is de overeenkomst ontbonden en kan de wederpartij voor schadevergoeding als concurrent schuldeischer opkomen; verklaart de curator zich daartoe wel bereid, dan is hij verplicht bij die verklaring zekerheid te stellen voor de richtige nakoming der overeenkomst.(...)"
Kastelijn q.q./Nijenhuis) werd dit zo uitgelegd, dat - anders dan toen het geval was volgens het gewone recht - art. 37 Fw Pro een 'resolutio ex nunc' inhield, dat wil zeggen een ontbinding van de overeenkomst voor de toekomst. Inmiddels verrichte prestaties bleven in stand: "
dat mitsdien door de ontbinding van art. 37 der Pro F.W. wel voor de toekomst vervalt de verplichting tot levering van de ene partij en de daartegenover staande verplichting van die toekomstige leveringen, maar dat hetgeen uit kracht van de getroffen overeenkomst geleverd is, als zodanig bij koop bijvoorbeeld, als verkocht geleverd blijft en ook de tegenover die levering staande betalingsplicht door de ontbinding van art. 37 der Pro F.W. niet wordt aangetast." [20] De partij die het meeste had gepresteerd, kon van de andere partij nakoming verlangen van haar daartegenover staande verplichtingen. [21] Was de schuldenaar gehouden het evenwicht het herstellen, dan kon de wederpartij haar daarmee corresponderende vordering ter verificatie indienen. Had de gefailleerde gepresteerd, dan kon de curator nakoming vragen van de daartegenover staande verbintenissen. Aldus vond onder art. 37 Fw Pro (oud) na faillissement een 'uitbalancering' van de wederzijdse rechten en verplichtingen plaats. [22] De invoering van het NBW is aanleiding geweest voor een heroverweging van art. 37 Fw Pro (oud), vanwege de gewijzigde regels over de ontbinding van overeenkomsten en de gevolgen van niet-nakoming van verbintenissen.
Artikel 37, Algemeen. Dit artikel diende opnieuw te worden bezien tegen de achtergrond van de artikelen 6.5.4.6-21 nieuw BW, die de ontbinding van overeenkomsten in het algemeen betreffen en van de andere bepalingen betreffende de gevolgen van niet-nakoming van verbintenissen, grotendeels te vinden in afdeling 6.1.8.
Volgens deze bepaling verliest de curator het recht nakoming te vorderen als hij zich niet binnen de hem gestelde redelijke termijn bereid verklaart de overeenkomst gestand te doen. Derhalve wordt het huidige stelsel van ontbinding van rechtswege verlaten.
Er is geen reden waarom de wederpartij niet ook in geval van faillissement de keuze zou worden gelaten of hij, indien de curator niet wil nakomen, gehele of gedeeltelijke ontbinding met aanvullende schadevergoeding dan wel vervangende schadevergoeding wenst. De bevoegdheid tot ontbinding of tot omzetting in een vordering tot vervangende schadevergoeding komt hem toe terstond nadat de termijn ongebruikt is verstreken en daardoor vaststaat dat de curator zijnerzijds niet zal nakomen; men zie ook de artikelen 6.1.6.10 onder a en 6.1.8.5. De curator kan zich zekerheid omtrent de bedoelingen van de wederpartij verschaffen door aan deze de termijn van artikel 6.1.8.13 te stellen.
Bij het huidige artikel 37 daarentegen Pro ontstaan dergelijke vorderingen juist niet, behoudens wellicht in het geval dat de gefailleerde een prestatie had verricht, waarvoor hij nog geen (volledige) tegenprestatie had ontvangen. Met het ontbreken van terugwerkende kracht is bij artikel 37 dus Pro in wezen bedoeld: partiële ontbinding.
In het algemeen zal dit door het ontbreken van zakelijke werking en de mogelijkheid van verrekening overeenkomstig artikel 53 geen Pro groot verschil maken.De vordering tot ongedaanmaking tegen de boedel zal immers slechts een persoonlijke vordering zijn (afgezien van het geval van een eigendomsvoorbehoud of het reclamerecht van afdeling 7.1.8). Maar in bepaalde gevallen kan volledige ontbinding voor de wederpartij toch voordeliger uitkomen, met name wanneer zij zich, voor wat betreft de op haarzelf rustende verplichting tot ongedaanmaking, op overmacht kan beroepen, hetgeen het nieuw BW toelaat; men zie artikel 6.5.4.16. Zowel voor een eventuele vordering tot ongedaanmaking als voor een eventuele vordering tot aanvullende of vervangende schadevergoeding zal de wederpartij als concurrent schuldeiser in het faillissement kunnen opkomen. Voorgesteld wordt dit voor alle gevallen uitdrukkelijk te bepalen in een nieuw artikel 37a.
Verklaart de curator zich niet tijdig bereid, dan zal de wederpartij zich op het standpunt kunnen stellen dat de wanprestatie aan de zijde van de boedel bij voorbaat vaststaat (artikel 7.1.6.2; zie ook de artikelen 6.1.6.10 onder a en 6.1.8.5) en kunnen kiezen tussen ontbinding en vervangende schadevergoeding.Of ontbinding ter zake van de derde partij voordeliger voor haar is, zal vooral een kwestie zijn van het prijsverloop; men zie echter artikel 6.5.4.21. Ten aanzien van de tweede partij zal zij er voorts rekening mee moeten houden dat zij door ontbinding slechts een persoonlijke vordering tot teruglevering daarvan verkrijgt uit artikel 6.5.4.14.
Naast artikel 37 kan Pro de wederpartij ook artikel 6.1.8.13 hanteren, met name als zij de klachten ter zake van de tweede partij als juist zou erkennen. Zij kan aldus, eventueel tezamen met de termijnstelling van artikel 37, de curator sommeren zich uit te laten wat hij terzake van deze wanprestatie denkt te doen. De curator kan te dier zake dan weer kiezen tussen gedeeltelijke ontbinding (alleen ter zake van de tweede partij of wellicht mede ter zake van de derde), algehele ontbinding (bij voldoende samenhang tussen de drie prestaties) en verschillende vormen van herstel (artikel 7.1.3.2) of vervangende schadevergoeding. Laat de curator zich niet uit, dan kan hij nog slechts vervangende schadevergoeding vorderen, tenzij de wederpartij zich te dier zake op overmacht mocht beroepen.
automatischeontbinding van rechtswege bij niet-gestanddoening, omdat het NBW de wederpartij een breder palet aan mogelijkheden biedt bij niet-nakoming, zodat een genuanceerder (niet: een wezenlijk ander) resultaat kan worden bereikt.
Welke keuze de wederpartij ook maakt, in alle gevallen is het netto resultaat vergelijkbaar met dat onder Fw (oud). Bij partiële ontbinding - in temporele zin - wordt de overeenkomst alleen voor toekomstige prestaties ontbonden, zodat een reeds ontstane betalingsverplichting voor verrichte prestaties in stand blijft. De curator kan daarvan derhalve nakoming vorderen. Bij algehele ontbinding van de overeenkomst ontstaan op de voet van art. 6:271 BW Pro ongedaanmakingsverplichtingen voor reeds verrichte prestaties. De curator kan teruggave van de prestatie of vergoeding van de waarde daarvan vorderen (art. 6:272 lid 1 BW Pro). Bij de derde optie, omzetting in vervangende schadevergoeding (art. 6:87 BW Pro), blijft de eigen verplichting van de wederpartij in stand, zodat de curator betaling van de gehele aanneemsom kan vorderen. Op zijn beurt kan de schuldenaar de vordering van de curator verrekenen met zijn vordering tot schadevergoeding. Op deze laatste figuur, omzetting in vervangende schadevergoeding, wordt nader ingegaan in de conclusie in de prejudiciële vraag. [25] In alle gevallen vindt dus, evenals onder art. 37 Fw Pro (oud) het geval was, 'uitbalancering' van de wederzijdse prestaties plaats.
Geconcludeerd kan dus worden dat er bij de invoering van het huidige art. 37 Fw Pro ervan is uitgegaan dat feitelijk hetzelfde zou kunnen worden bereikt als met de in art. 37 Fw Pro (oud) neergelegde ontbindingsregeling, namelijk afrekening van prestaties die vóór het faillissement zijn verricht.
Hierbij is te bedenken dat algemeen wordt aangenomen dat uit de rechtspraak volgt dat de curator
nietde bevoegdheid heeft om tot ontbinding van de overeenkomst over te gaan, tenzij de wet of de overeenkomst hem daartoe bevoegd maakt. [28] Als de schuldenaar niets doet en de curator niets mág doen, blijft de overeenkomst derhalve in stand.
Het is dit in stand blijven van de overeenkomst dat de onderhavige problematiek veroorzaakt.
paritas creditorum,een fundamenteel beginsel van faillissementsrecht. Het is moeilijk te verdedigen dat en op welke grond de (opeisbare) tegenprestatie voor een reeds verrichte prestatie van de schuldenaar níet in de boedel zou thuishoren.
Een iets andere formulering van dit argument geeft het hof in rov. 5.5, waar het overweegt dat het in art. 37 Fw Pro neergelegde keuzerecht van de curator ertoe dient om de belangen van de boedel te beschermen en dat dit doel niet bereikt wordt als de curator niet de tegenprestatie kan opeisen van een reeds door de schuldenaar verrichte prestatie.
curatorhet recht op nakoming, en niet de schuldenaar. [33] Voor dit verschil bestaat geen goede grond, zo overweegt het hof. [34] Heel sterk acht ik dit argument niet. Niet alleen omdat voor het overgrote deel van de faillissementen geldt dat de gefailleerde een rechtspersoon is, die als gevolg van het faillissement ophoudt te bestaan (art. 2:19 lid 1 sub c BW Pro) en dus geen nakoming meer kan vorderen. Alleen indien de gefailleerde een natuurlijke persoon is of een rechtspersoon bij wie het faillissement eindigt door een akkoord zou dit aan de orde kunnen zijn. Daarbij komt dat de wederpartij wel de mogelijkheid heeft tot ontbinding van de overeenkomst over te gaan, in welk geval niet meer hoeft te worden gevreesd voor een nakomingsvordering.
Dit argument omschrijft in feite de consequentie van het met de invoering van het huidige art. 37 Fw Pro verkregen systeem, namelijk dat geen automatische ontbinding plaatsvindt bij niet-gestanddoening maar dat het aan de wederpartij is om haar keuze te maken, terwijl art. 37 Fw Pro niet de verplichting bevat voor de wederpartij is
omeen keuze te maken (vergelijk hiervoor bij punt 2.10). Een echt argument acht ik dit dan ook niet. Hoogstens kan gezegd worden, zoals hiervoor al aan de orde kwam, dat de wetgever ervan is uitgegaan dat de wederpartij enige keuze zou maken en niet heeft gedacht aan het geval dat de wederpartij dat niet doet.
Voor wat betreft de literatuur zijn te noemen Van Hees, [38] Verstijlen, [39] Van Zanten (ná zijn dissertatie), [40] Wessels, [41] en Verschoof. [42] Al deze auteurs bepleiten dat art. 37 Fw Pro restrictief moet worden uitgelegd en de bepaling bij niet-gestanddoening van de overeenkomst de curator alleen het recht ontzegt om nakoming te vorderen van toekomstige prestaties. Wessels gaat hierin het verst, door simpelweg te stellen dat een situatie als de onderhavige, waarin nakoming wordt gevorderd van een vordering die reeds vóór datum faillissement is ontstaan, 'niet door de regeling van art. 37 wordt Pro bestreken', omdat uit de overeenkomst voortvloeiende verbintenissen in beginsel niet door het faillissement worden aangetast. [43] Voor wat betreft de feitenrechtspraak kan worden gewezen op uitspraken van de rechtbank Almelo, [44] het hof Arnhem-Leeuwarden, [45] de Raad van Arbitrage voor de Bouw [46] en de rechtbank Breda. [47] In al deze uitspraken is aangenomen dat de curator bij niet-gestanddoening het recht behoudt om nakoming te vorderen van een reeds voor het faillissement verschuldigde prestatie. Steeds ging het in deze zaken om aannemingsovereenkomsten,
ondeelbaaris. Dat betekent dat de curator alleen kan kiezen om de
geheleovereenkomst al dan niet gestand te doen ('integrale gestanddoening'). De curator kan niet alleen een voor de boedel gunstig deel van de overeenkomst gestand doen en een ongunstig deel niet.
Cherry pickingin de overeenkomst is dus niet toegestaan. [51] Als de curator de overeenkomst niet-gestanddoet maar wel nakoming vraagt van reeds verrichte prestaties, zou toch sprake zijn van
cherry picking.
De belangrijkste verdediger van dit standpunt was Van Zanten, in zijn proefschrift over de overeenkomst in het insolventierecht. [52] Hij is daarop echter later teruggekomen - onder meer in zijn noot onder het onderhavige hofarrest [53] - en is ook hij thans van mening dat de uitkomst van dit standpunt onwenselijk is. Hij acht de door (onder meer) Van Hees bepleite restrictieve uitleg van art. 37 Fw Pro 'goed verdedigbaar', waarbij hij aantekent dat die uitleg alleen uitkomst biedt in gevallen waarin reeds een vordering van de schuldenaar bestaat. Dat was niet het geval in het door hem geannoteerde arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden. Voor zo'n geval (op faillissementsdatum is er nog geen vorderingsrecht) acht hij ingrijpen door de wetgever noodzakelijk. [54] Overigens ging Van Zanten er ook in zijn proefschrift al vanuit dat er uitzonderingen zijn op het daar door hem verdedigde standpunt. [55] En, ook niet zonder belang, Van Zanten achtte het resultaat van zijn aanvankelijke uitleg van art. 37 Fw Pro niet wenselijk en pleitte voor ingrijpen door de wetgever, namelijk door geen verdere gevolgen te verbinden aan de weigering van de curator om de overeenkomst gestand te doen maar deze uitsluitend te laten beheersen door het gemene recht. [56]
Zeer zeker zal hij zijnerzijds niet behoeven te praesteren, zoolang de curator zich niet bereid verklaart de verplichtingen des gefailleerdenten vollete vervullen" (onderstreping A-G). [57] Heel sterk acht ik die steun niet, omdat uit deze zinsnede niet is af te leiden dat de wederpartij geen tegenprestatie (meer) zou hoeven te leveren voor
reeds verrichteprestaties van de gefailleerde (zoals hier aan de orde is). Bovendien moet ook het vervolg van de zin worden gelezen:
"... zal men nimmer kunnen beweren dat hij verplicht zoude zijn zijne verbintenis na te komen om dan voor de contra-praestatie des gefailleerden eene concurrente vordering tegen den boedel te verkrijgen, maar desniettemin zal hij al het nadeel daarvan ondervinden, dat hij niet a priori weet, wat de curator op den dag der vervulling zal doen, of deze zal nakomen, dan wel het zich in het belang van den boedel achten om in gebreke te blijven, en zich bloot te stellen aan eene ontbindings- of schadevergoedingsactie, welke laatste de mede-contractant niet anders dan als concurrent schuldeischer zal kunnen doen gelden."
Het gaat er dus om dat vermeden moet worden dat de wederpartij tijdens faillissement prestaties verricht waarvoor hij geen tegenprestatie ontvangt van de failliet en blijft zitten met een concurrente vordering. Dit is, zoals hiervoor al is besproken, de ratio van het ontzeggen van de nakomingsvordering aan de curator bij niet-gestanddoening, maar zegt niets ten gunste van het standpunt dat niet betaald zou hoeven te worden voor reeds verrichte prestaties
vande failliet.
Veluwse Nutsbedrijven). [58] In dit arrest was de situatie spiegelbeeldig aan het onderhavige geval: het was de wederpartij (de energieleverancier) die voor faillissementsdatum had gepresteerd en de failliet die de daar tegenover staande prestatie (betaling) niet had verricht. Voor dat geval overwoog de Hoge Raad dat een opschortingsrecht van de wederpartij ook kan worden uitgeoefend indien de schuldenaar failliet is en met het doel om betaling te verkrijgen van een oude – voor de faillietverklaring ontstane – schuld. Inderdaad veronderstelt dit de ondeelbaarheid van het keuzerecht van de curator, omdat de curator er anders voor had kunnen kiezen de overeenkomst alleen voor de toekomst gestand te doen met voorbijgaan aan het opschortingsrecht van de wederpartij in verband met de schuld die was ontstaan vóór het faillissement. Maar het arrest geeft niet een antwoord op de vraag die in deze zaak aan de orde is, omdat het ziet op de situatie dat de curator juist wél door wil (
moet, in het geval van nutsleveranties) met de overeenkomst, die naar zijn aard een duurovereenkomst is. Daarmee ziet het op een andere problematiek, namelijk de vraag naar de positie van de dwangcrediteur en het belang van het in standhouden van duurovereenkomsten na faillissement. [59] Bovendien zou in de zaak
Veluwse Nutsbedrijveneen ander oordeel (het niet honoreren van het opschortingrecht van de wederpartij door de curator de mogelijkheid te geven de overeenkomst alleen voor de toekomst gestand te doen) juist
nietleiden tot een 'uitbalancering' van de wederzijdse prestaties.
Naar mijn mening is dit niet echt een argument voor de gekozen uitleg van art. 37 Fw Pro, het is eerder een relativering van de consequenties van de gevolgen. Het legt dan ook verder geen gewicht in de schaal.
feitelijkniet in staat is tot nakoming, hij altijd de mogelijkheid heeft om een derde partij in te schakelen om de overeenkomst alsnog na te komen. Hierin is dus geen beperking gelegen van het keuzerecht van de curator.
Ook dit acht ik geen sterk argument. In de eerste plaats omdat het in een zaak als de onderhavige niet het niet-gestanddoen van de overeenkomst is dat negatief uitpakt voor de boedel, maar het achterwege blijven van een afwikkeling van de overeenkomst. Dit komt, zoals gezegd, doordat de wederpartij geen keuze maakt die kan leiden tot afwikkeling.
In de tweede plaats is het argument niet sterk, omdat de curator in het algemeen geen of slechts zeer beperkte mogelijkheden heeft om bij gestanddoening de verplichte zekerheid te kunnen stellen en het ook de vraag is of hij de middelen heeft om de overeenkomst (verder) te (laten) uitvoeren. [61] Het behoeft geen verdere toelichting dat onder die omstandigheden geen vrije, op bedrijfseconomische analyse gestoelde, keuze kan worden gemaakt om de overeenkomst al dan niet gestand te doen.
Ik meen dan ook dat het recht op nakoming door de curator niet vervalt voor zover het gaat om de verplichtingen van de wederpartij die de tegenprestatie vormen van de vóór datum faillissement reeds door de schuldenaar verrichte prestaties.
Indien wordt verrekend, is dubbel betalen echter niet aan de orde. Zowel de meerprijs die aan een opvolgend aannemer moet worden betaald als vertragingsschade en mogelijke andere schadeposten, zijn aan te merken als schade die is ontstaan door het niet-nakomen van de aannemingsovereenkomst. Ook in de wetsgeschiedenis van art. 37 Fw Pro (zie onder punt 2.9) is uitgegaan van verrekening van een vordering van de curator (tot nakoming of tot schadevergoeding, in het voorbeeld dat de memorie van toelichting geeft) met een vordering tot vervangende of aanvullende schadevergoeding van de wederpartij.
Of in het onderhavige geval een recht op verrekening bestaat, is aan de orde bij onderdeel 2 van het cassatiemiddel.
onderdeel 2.1ageeft het oordeel van het hof in rov. 9, dat de voor de vordering tot vervangende schadevergoeding benodigde schriftelijke omzettingsverklaring niet is uitgebracht, blijk van een onjuiste rechtsopvatting omdat geen omzettingsverklaring vereist is indien nakoming (reeds) blijvend onmogelijk is. Wanneer nakoming blijvend onmogelijk is, is immers art. 6:87 BW Pro niet van toepassing en kan de schuldeiser rechtstreeks op grond van art. 6:74 lid 1 BW Pro vervangende schadevergoeding vorderen. Althans is ‘s hofs (impliciete) oordeel dat een omzettingsverklaring vereist is, rechtens onjuist en/of onbegrijpelijk gemotiveerd, nu vaststaat dat de curator de overeenkomst niet gestand heeft gedaan, waarmee de toerekenbare tekortkoming aan de zijde van de boedel bij voorbaat vaststond. Doordat het werk nadien (noodzakelijkerwijs) door een andere aannemer is voltooid, was nakoming door de curator op het moment dat de curator aanspraak maakte op betaling inmiddels blijvend onmogelijk geworden.
GIW-regeling’) - jegens Woningborg gehouden zijn eerst een beroep te doen op hun bevoegdheid om de vordering van de curator tot nakoming te verrekenen met hun eigen vordering tot schadevergoeding, alvorens aanspraak te maken op vrijwaring door Woningborg (omdat de vrijwaring slechts geldt voor het geval dat geen mogelijkheid en/of bevoegdheid tot verrekening zou bestaan).
plusde meerkosten die door Woningborg zijn betaald (zie de feiten bij punt 1.1, onder f)
plushet bedrag waarop de curator aanspraak maakt in deze procedure.
De door Woningborg betaalde meerkosten voor de afbouw van de woningen (dit zou voor alle woningen tezamen gaan om een bedrag van € 253.438,47 incl. btw) [68] vormen voor de Kopers geen schade. Dit is door de Kopers in feitelijke instanties ook erkend. [69] Woningborg heeft die schade immers weggenomen. Dat de Kopers voor de garantstelling door Woningborg eerder indirect hebben betaald - doordat daarvoor in de oorspronkelijke aanneemsom een bedrag was verdisconteerd - maakt dit niet anders.
Voor het bedrag waarop de curator in deze procedure aanspraak maakt, ligt het anders. Gelet op het feit dat de Kopers dit bedrag dienen te betalen bovenop de volledige aanneemsom die zij eerder aan Woningborg hadden voldaan, vormt dit voor hen schade. Deze schade is het gevolg van het faillissement van [A] . Woningborg heeft Kopers nog niet schadeloos gesteld voor deze schade. Weliswaar houdt art. N van de afbouwovereenkomst [70] - gesloten tussen de Kopers, Woningborg en de opvolgend aannemer - in dat Woningborg de Kopers zal vrijwaren voor schade, maar die vrijwaringsverplichting staat er niet aan in de weg dat de Kopers zich eerst jegens de curator beroepen op verrekening. [71] Daarbij doet m.i. niet terzake of de Kopers in de verhouding met Woningborg nu wel of niet contractueel verplicht zijn om zich op verrekening te beroepen.
Het is dan ook op instructie van Woningborg dat ik mij namens de Kopers op verrekening beroep.’ [74] Het hof heeft ofwel miskend dat de verrekeningsverklaring vormvrij is en bovendien steeds, dus ook in hoger beroep, gedaan kan worden, ofwel het heeft zijn oordeel niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd, nu de verklaring van mr. Stolk dat hij zich namens de Kopers daadwerkelijk op verrekening beroept redelijkerwijs niet anders kan worden begrepen dan als een verrekeningsverklaring.
voor het geval uw Hof mocht menen dat de curator (...) een vordering tot nakoming zou toekomen" [77] of, de passage waarnaar het hof verwijst, "
mocht in deze procedure worden vastgesteld dat de curator een vordering op kopers heeft dan zal dezerzijds alsnog een beroep op verrekening worden gedaan" [78] ), omdat op dat moment in rechte niet vaststond dat de curator een vordering had op de Kopers (en de Kopers dat betwisten). De betreffende stellingen kunnen echter redelijkerwijs niet anders worden begrepen dan dat op het moment dat wél geoordeeld zou worden dat de curator een vordering heeft op de Kopers, het beroep op verrekening in stelling wordt gebracht. Nu het hof in het bestreden arrest aldus heeft geoordeeld (en dit oordeel in cassatie ook stand houdt), had het hof het beroep op verrekening dienen te bespreken.