Conclusie
(hierna Lunet Zorg)
2. LVCR Kort Verblijf
(hierna gezamenlijk De Biezenrijt c.s)
1.Feiten
2.Procesverloop
3.Juridisch kader
Ook uit een recente (tweede) evaluatie van de Wmcz van het Verwey-Jonker Instituut kwam naar voren dat de medezeggenschap binnen zorginstellingen niet optimaal functioneert. [22] Niet alleen is de reikwijdte van de Wmcz een voortdurend punt van discussie. Daarnaast blijkt uit het rapport dat er een dieperliggend probleem is: hoe kan binnen een zorginstelling effectieve zeggenschap worden georganiseerd, die én aansluit bij de dagelijkse leefwereld van cliënten én op meer centraal niveau tot werkelijke beïnvloeding van het beleid kan leiden. Uit de in het rapport opgeworpen vraagpunten blijkt dat sprake is van verschillende problemen, waarvoor niet één duidelijke oplossingsrichting bestaat. [23] Het is goed dit in gedachten te houden, zodat niet de indruk ontstaat dat het sleutelen aan de inhoud van de juridische begrippen die bepalend zijn voor de reikwijdte van de Wmcz, leidt tot meer effectieve medezeggenschap van cliëntenraden.
Op dit moment wordt gewerkt aan een wijziging van de Wmcz (zie ook hierna onder 4.13). Uit een in dat verband geschreven brief van de Minister en Staatssecretaris van VWS van 14 maart 2016 blijkt dat onder andere de volgende knelpunten moeten worden verkend met de sector:
3. Verduidelijking brengen in de positie en rolverdeling tussen decentrale en centrale cliëntenraden.
5. Het komen tot nadere afspraken over het functioneren van cliëntenraden.
6. Duidelijkheid bieden over wie verplicht is een cliëntenraad in te stellen.
1. In deze wet wordt verstaan onder:
b.instelling:
rechtspersonen of natuurlijke personen, die gezamenlijk een instellingin stand houden;
a. het aantal leden van de cliëntenraad, de wijze van benoeming, welke personen tot lid kunnen worden benoemd en de zittingsduur van de leden;
b. de materiële middelen van de instelling, waarover de cliëntenraad ten behoeve van zijn werkzaamheden kan beschikken.
a. redelijkerwijze representatief kan worden geacht voor de cliënten en
b. redelijkerwijze in staat kan worden geacht hun gemeenschappelijke belangen te behartigen
4.Bespreking van de klachten in het principaal cassatieberoep
geeninstellingen zijn in de zin van art. 1 lid 1 aanhef Pro en sub b
onder 1°Wmcz. [28] Dit omdat alleen Lunet Zorg als geheel een WTZi-toelating heeft (vgl. punt 1.7). Het gaat derhalve om het instellingsbegrip als omschreven in art. 1 lid 1 sub Pro b
onder 2°Wmcz. Uit de wettekst volgt dat een instelling in de zin van die bepaling aan drie vereisten moet voldoen:
ruimtoepassingsgebied te geven. Om die reden is ervoor gekozen om
allezorginstellingen die uit collectieve middelen worden bekostigd, onder de Wmcz te laten vallen. De achterliggende gedachte daarbij was dat, anders dan bij dienstverlening op de vrije markt, geen mechanismes bestaan die bevorderen dat de dienstverlening optimaal wordt afgestemd op de wensen en behoeften van de cliënt, en de cliënt een beperkte keuzevrijheid heeft. De cliënt is voor zijn welbevinden echter wel in belangrijke mate afhankelijk van de wijze van zorgverlening. Om die reden moet de cliënt zeggenschap kunnen hebben over de hem verleende zorg, zo is te lezen in de memorie van toelichting: [31] p. 2-3:
“
II. De achtergronden van de keuze voor een wettelijke regeling
Deze omstandigheden brengen met zich dat er sprake is van een specifieke verantwoordelijkheid van de overheid voor het functioneren van deze instellingen. (…)
Die verantwoordelijkheid van de overheid geldt naar ons oordeel voor het gehele collectief gefinancierde zorgveld. (…)
De hiervoor geschetste belemmerende factoren zijn evenwel bij alle uit collectieve middelen gefinancierde zorginstellingen in gelijke mate aanwezig. In alle instellingen bestaat derhalve de mogelijkheid dat de cliënten op het moment waarop zij de zorg inroepen, geconfronteerd worden met dienstverlening die niet optimaal is afgestemd op de behoeften en wensen van de cliënten. Wij achten het dan ook van belang dat in alle zorginstellingen wordt gewaarborgd dat een geïnstitutionaliseerde cliëntenvertegenwoordiging de belangen van de cliënten in de instelling kan behartigen. Wij stellen derhalve voor het wetsvoorstel te doen gelden voor alle collectief gefinancierde zorginstellingen. (…)”
3. De aard van de wettelijke regeling
(…)”
III. Het wetsvoorstel
(…)
Anders dan cliënten van bedrijven op de vrije markt kunnen cliënten van deze instellingen iet of slechts in zeer beperkte mate stemmen met de voeten, indien de zorgverlening niet adequaat is.
Het wetsvoorstel zal ook gelden voor zorgverlenende instellingen die (veelal in afwachting van opneming van de desbetreffende zorg in het verstrekkingenpakket van AWBZ of ZFW) worden gefinancierd door de Ziekenfondsraad ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten. Voorts vallen ook enkele zorgvoorzieningen die op grond van de Welzijnswet worden bekostigd (…) onder het wetsvoorstel.”
Het gaat dan in de eerste plaats om de bejaardenoorden. (…)
Verder zal de wet van toepassing zijn op onder meer de volgende op grond van de AWBZ of ZFW erkende instellingen: algemene, academische, categoriale en psychiatrische ziekenhuizen, instellingen op het terrein van de zwakzinnigenzorg, verpleeghuizen, gezinsvervangende tehuizen en dagverblijven voor gehandicapten, regionale instellingen voor beschermd wonen (…)
De wet zal eveneens gelden voor instellingen die met toepassing van de in onderdeel b, 3°, genoemde regels worden gefinancierd.
Voorbeelden van de in onderdeel b, 3°, onder a, bedoelde instellingen (…) zijn de instellingen die werkzaam zijn op het terrein van gezinsverzorging, (..) de psychiatrische woonvoorzieningen, de instellingen voor klinisch-psychiatrische gezinsbehandeling (…) de kort-verblijftehuizen. (…)”
alleinstellingen die uit collectieve middelen worden gefinancierd en niet alleen op instellingen die rechtstreeks worden gefinancierd door het Zorginstituut (of rechtstreeks door de Minister van SZW op grond van de Kaderwet VWS-subsidies). Ook de opsomming van voorbeelden van instellingen waarvoor de Wmcz zal gelden, in de hierboven geciteerde passage, illustreert dit: instellingen die werkzaam zijn op het terrein van gezinsverzorging, psychiatrische woonvoorzieningen, instellingen voor klinisch-psychiatrische gezinsbehandeling, kort-verblijftehuizen, zijn alle géén rechtstreeks door het Zorginstituut Nederland gefinancierde instellingen, maar vallen wel onder de Wmcz. Ten slotte blijkt ook uit de volledige titel van de wet dat alle zorginstellingen die uit collectieve middelen worden bekostigd onder het bereik van de Wmcz vallen: "
Wet van 29 februari 1996, houdende regels ter bevordering van de medezeggenschap van de cliënten van uit collectieve middelen gefinancierde zorgaanbieders op het terrein van de maatschappelijke zorg en gezondheidszorg (wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen)."
Ook in de literatuur wordt algemeen aangenomen dat alledoor de overheid uit collectieve middelen gefinancierde zorginstellingen onder de werkingssfeer van de Wmcz vallen. [32]
op grond vande Zvw of de Wlz, of
doorde Minister van SZW (s.t. punt 8). Anders dan Lunet Zorg meent, is uit die woorden niet af te leiden dat het moet gaan om een rechtstreekse en specifieke financieringsstroom. Ook andere instellingen dan die waar Lunet Zorg op doelt worden gefinancierd door het Zorginstituut op grond van de Zvw of de Wlz; het Zorginstituut treedt dan op als beheerder of uitvoerder van het Zvf (Zorgverzekeringfonds) en het Flz (Fonds langdurige zorg). [36] Het argument gaat dus niet op.
Ook dit argument gaat niet op. Uit de wetsgeschiedenis is af te leiden dat de toevoeging onder 3˚ was ingegeven door de omstandigheid dat sommige instellingen in de verslavingszorg niet onder 2˚ vallen, omdat zij werden gefinancierd op grond van de Tijdelijke financieringsregeling verslavingszorg in plaats van op grond van de wetten genoemd onder 2˚ en daardoor buiten het bereik van de Wmcz zouden vallen. [37]
De stelling van Lunet Zorg is niet juist. Blijkens de wetsgeschiedenis is lid 2 opgenomen om de mogelijkheid te openen om de wet van toepassing te verklaren op zorginstellingen die anders dan op grond van een wettelijke bekostigingsmaatregel worden gefinancierd. [38] Overigens is tot op heden geen gebruik gemaakt van deze bepaling.
De interpretatie die Lunet Zorg geeft aan de betreffende passage, kan niet worden onderschreven. Uit die passage blijkt slechts dat organisaties die niet worden gefinancierd uit collectieve middelen (maar die wel zorg verlenen aan cliënten in zorginstellingen), zélf niet onder de werking van de Wmcz vallen.
In de memorie van toelichting bij het bedoelde wetsvoorstel (dat overigens in 2010 weer is ingetrokken) [40] was, voor zover hier van belang, het volgende te lezen:
Uit de memorie van toelichting bij het oorspronkelijke wetsvoorstel voor de Wmcz blijkt dat de bedoeling van de wetgever was dat als een zorgaanbieder méér dan één instelling instandhoudt, er voor iedere instelling een afzonderlijke cliëntenraad in het leven moet worden geroepen. De wetgever stelt nadrukkelijk dat er niet kan worden volstaan met één cliëntenraad voor alle onder de zorgaanbieder ressorterende tehuizen of inrichtingen (Kamerstukken II 1992/93, 23 041, nr. 3, blz. 27). Het is de bedoeling dat er een cliëntenraad wordt ingesteld op het niveau waar daadwerkelijk zorg wordt verleend.
Oorspronkelijk werd voor het begrip instelling aangesloten bij het organisatorisch verband dat toegelaten was op grond van de Ziekenfonds wet of de Algemene Wet Bijzondere Zieketekosten. Bij de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet is artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 1, Wmcz gewijzigd. Het artikel verwijst nu naar het begrip instelling in de zin van de Wet toelating zorginstellingen (WTZi). Die wet definieert een instelling als een organisatorisch verband dat een toelating heeft als bedoeld in artikel 5 WTZi Pro. Voor elk organisatorisch verband dat een toelating heeft, dient zodoende een cliëntenraad in het leven te worden geroepen. De toelatingspraktijk op grond van de WTZi brengt echter mee dat het voor het afgeven van een toelating niet relevant is of het gaat om een in het maatschappelijk verkeer als afzonderlijke eenheid optredende zorgverlener of om een conglomeraat van allerlei zorgverlenende vestiging. Dit betekent dat in de praktijk een toelating zowel op het niveau van de rechtspersoon als op een lager <
Om het begrip instelling aan te laten sluiten bij de oorspronkelijke bedoeling van de wetgever, is artikel 1 van Pro de Wmcz aangepast. In de nieuwe formulering komt, zoals dat in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2˚ reeds het geval was, expliciet tot uitdrukking dat het moet gaan om een organisatorisch verband dat in het maatschappelijk verkeer als zelfstandige eenheid optreedt.” [41]
onder 1°Wmcz is. Dit blijkt ook uit de in dit verband wel aangehaalde brief van de Minister en Staatssecretaris van VWS van 11 december 2001, [42] waar eveneens aan de orde is het instellingsbegrip
onder 1°, en de daarbij gerezen vraag of voor een instelling met één toelating kan worden volstaan met één cliëntenraad (zie over die discussie ook punt 4.8 van deze conclusie). Zoals hiervoor is vermeld, gaat het in de onderhavige zaak echter om het instellingsbegrip onder art. 1 lid 1 aanhef Pro en sub b
onder 2°Wmcz. In de tweede plaats kan, anders dan Lunet Zorg stelt, uit de aangehaalde passage niet worden afgeleid dat beoogd werd in de nieuwe versie van art. 1 lid 1 aanhef Pro en sub b Wmcz [43] te bewerkstelligen wat onder de vigerende Wmcz níet gold (en geldt), namelijk dat elk in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband waarin zorg wordt verleend die uit collectieve middelen wordt bekostigd, als instelling aan te merken. Te lezen is slechts dat de Wmcz niet meer goed aansluit bij het begrip instelling in de WTZi en daarom aanpassing behoeft. Bovendien komt uit de aangehaalde passage wederom duidelijk naar voren dat het doel van de Wmcz is dat een cliëntenraad wordt ingesteld op het niveau waar daadwerkelijk zorg wordt verleend en dat niet volstaan kan worden met één cliëntenraad per zorgaanbieder. Dat is dus in overeenstemming met de uitleg die het hof aan het begrip 'instelling' heeft gegeven.
Ook dit argument van Lunet Zorg snijdt dus geen hout.
4.10 Bij punt 17 klaagt het onderdeel dat door aan te nemen dat voor het zijn van een instelling in de zin van de wet voldoende is dat sprake is van financiering uit de collectieve middelen, een onwerkbaar vérstrekkende verplichting tot het instellen van grote aantallen formele cliëntenraden ontstaat. Dit zou niet te rijmen zijn met de insteek van de wetgever bij de totstandkoming van de Wmcz om aan een zorgaanbieder zoveel mogelijk ruimte te laten om via de band van ‘wettelijk geconditioneerde zelfregulering’ een bij zijn organisatiestructuur aansluitende medezeggenschapsstructuur in het leven te roepen die materieel leidt tot daadwerkelijke cliëntparticipatie (Kamerstukken II, 1993-1994, 23 041, nr. 7, p. 5). Lunet Zorg wijst er in dit verband op dat zij thans 163 zelfsturende teams heeft (s.t. punt 2 en 20). Als de redenering van het hof zou worden gevolgd, moeten derhalve 163 cliëntenraden worden ingesteld.
voor iedere instellingeen cliëntenraad moet instellen.
Zie de memorie van toelichting (p. 23): [44]
Een zorgaanbieder kan meer dan één instelling instandhouden. In dat geval dient voor iedere instelling een afzonderlijke cliëntenraad in het leven te worden geroepen. Er kan dus niet worden volstaan met één cliëntenraad voor alle onder een zorgaanbieder ressorterende tehuizen en inrichtingen.
Of naast het tot stand brengen van cliëntenraden voor de onderscheiden instellingen wordt overgegaan tot de instelling van een centrale cliëntenraad (…) laten wij gaarne ter vrije beoordeling aan de zorgaanbieder en de betrokken cliëntenraden. (…)”.
II. Het wetsvoorstel(…)
In het wetsvoorstel is gekozen voor belangenbehartiging door één cliëntenraad per instelling. (…) dat uitgangspunt [biedt] ons inziens de meest hanteerbare, immers bij de organisatie aansluitende, vorm van geïnstitutionaliseerde behartiging van het cliëntenbelang. (…)”
II. HET WETSVOORSTEL1. Doelstelling en werkingssfeer
Het wetsvoorstel biedt ook complexe organisaties voldoende ruimte om de medezeggenschap van de cliënten op doeltreffende wijze vorm te geven. Ik handhaaf het uitgangspunt, dat de participatie van cliënten in beginsel op het niveau van de instelling dient plaats te vinden. Met de instelling hebben de cliënten rechtstreeks en vaak intensief te maken. Het beleid van en de gang van zaken in die instelling is voor hen van groot belang en dit belang behoeft niet steeds overeen te stemmen met dat van andere tot de rechtspersoon behorende instellingen. Dit neemt niet weg, dat een zorgaanbieder die verschillende instellingen in stand houdt en ten aanzien van die instellingen op bepaalde terreinen een gelijkluidend beleid wenst te voeren, dit met de medewerking van de cliëntenraden kan bewerkstelligen. In de eerste plaats kan de zorgaanbieder zonder veel moeite een regelmatig overleg tussen de vertegenwoordigers van de verschillende cliëntenraden organiseren. Dit kan ertoe bijdragen, dat de cliëntenraden het gebruik van hun bevoegdheden op elkaar afstemmen. Indien de cliënten erbij gebaat zijn het beleid vast te stellen op een niveau dat de afzonderlijke instelling overstijgt, valt te verwachten, dat de cliëntenraden het belang hiervan inzien en er hun medewerking aan verlenen. In de tweede plaats kan de zorgaanbieder een centrale cliëntraad instellen.
(…)
Het wetsvoorstel verzet zich niet tegen het door deze leden geschetste model. Aan de per instelling te vormen cliëntencommissies zullen dan wel de bevoegdheden moeten worden verleend, die het wetsvoorstel aan de cliëntenraad toekent. Daarnaast kan een centrale cliëntenraad worden ingesteld. Zoals reeds eerder opgemerkt, beschikt deze niet over de bevoegdheden die ingevolge het wetsvoorstel aan de cliëntenraad toekomen, tenzij de cliëntenraden op instellingsniveau hebben ingestemd met een verdeling van bevoegdheden. (…)”
Ook in de literatuur is het probleem van de overvloed aan cliëntenraden gesignaleerd, met name door Van der Voet. [49] Zij bepleit dat meer aansluiting wordt gezocht bij de WOR, zodat de zorgaanbieder zelf kan zorgen voor een centrale of groepscliëntenraad (en dit niet afhankelijk is van initiatieven van de cliëntenraden) en er daar effectieve inspraak kan plaatsvinden. Verder stelt Van der Voet voor om een instellingsgrens te hanteren, zoals ook is neergelegd in art. 2 lid 1 WOR Pro (tenminste 50 personen moeten werkzaam zijn in de onderneming). [50]
meerdere te onderscheiden onderdelen,de door de zorgaanbieder te treffen regeling voor medezeggenschap er – voor zover dat redelijkerwijs aangewezen was te achten – in moest voorzien dat er eveneens cliëntenraden worden ingesteld die zijn belast met de behartiging van de gemeenschappelijke belangen van de cliënten van elk van die onderdelen (lid 3). [52] Bij de derde nota van wijziging van het wetsvoorstel is onder andere deze bepaling echter weer uit het voorstel geschrapt. [53] Later is de Wcz – onder de naam Wet kwaliteit, klachten en geschillen (Wet kkgz) wel ingevoerd, maar zonder het onderdeel medezeggenschap. [54] Ook thans wordt nog gewerkt aan een herziening van de Wmcz, die een aantal gesignaleerde knelpunten moet verhelpen (zie ook punt 3.4 van deze conclusie). Daartoe is in maart 2016 een consultatiebijeenkomst gehouden. [55] Tot een wetsvoorstel is het nog niet gekomen.
Zeker in het licht van deze nog niet uitgekristalliseerde ontwikkelingen zie ik geen aanleiding om in afwijking van tekst en doel van de wet tot een andere interpretatie te komen van het begrip 'instelling', teneinde tot een voor Lunet Zorg meer werkbare situatie te komen (wat daar verder ook van zij).
elk in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband waarin krachtens arbeidsovereenkomst (…) arbeid wordt verricht” (art. 1 lid 1 onder Pro c WOR). Volgens de Hoge Raad is voor het voldoen aan deze omschrijving bepalend of het gaat om een samenwerkingsverband dat in de maatschappij als zelfstandige eenheid optreedt. Daarmee is niet bedoeld dat het verband beslist organisatorisch onafhankelijk moet zijn; het gaat bij dit zelfstandig optreden uitsluitend om het zich naar buiten als zelfstandig presenteren, met name door onder eigen naam werkzaam te zijn. Als voorbeeld van een onderdeel van een onderneming dat zich níet naar buiten toe als zelfstandig presenteert, noemt de Hoge Raad de gieterij van een machinefabriek. [57]
elk in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband waarin gezondheidszorg wordt verleend”.Uit de door de stichting verstrekte informatie blijkt dat in de nieuwe organisatiestructuur aangaande de diverse locaties sprake zal zijn van zelfsturende teams, waarbij tevens coaches begeleiding geven. Het hof vermag niet in te zien waarom deze zelfsturende teams niet zouden kunnen worden aangemerkt als een in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband. Dat deze teams verder gezondheidszorg als bedoeld in artikel 1 onder Pro b Wmcz verlenen aan de bewoners is tussen partijen in confesso.”
tweecliëntenraden. Daarmee is helaas niet nauwkeurig omlijnd wat dan precies de instelling is die als organisatorische eenheid aan het maatschappelijk verkeer deelneemt. Dit betekent dat niet geheel duidelijk is
watdoor het hof nu precies als organisatorische eenheid is beschouwd.
de zes locatiesaanmerkt als ‘in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband', zodat sprake is van zes instellingen in de zin van de Wmcz. Deze benadering ligt in de rede, omdat de zes locaties een eigen naam, een eigen adres, elk ‘vier muren en een dak’ hebben en een eigen cliëntenbestand. Zij presenteren zich (kennelijk) ook onder eigen naam naar buiten. [59] De nieuwe organisatiestructuur met divisies, clusters en zelfsturende teams heeft hierin geen verandering gebracht. Kennelijk - zo heeft het hof dan voor ogen gestaan - hebben de zes locaties er in het verleden voor gekozen om zich te groeperen in twee cliëntenraden, namelijk cliëntenraad De Biezenrijt-De Werkschuur en cliëntenraad Kort Verblijf. Dit leidt er dan toe dat Lunet Zorg gehouden is die twee cliëntenraden als zodanig te erkennen.
Het is overigens zonder meer toegestaan vanaf het niveau van de “instelling”, zijnde in de nieuwe structuur het zelfsturende team, in samenspraak met de aldaar in te stellen cliëntenraden, respectievelijk cliëntenvertegenwoordigersraden, via delegatie ook daarboven raden in te stellen, bijvoorbeeld op clusterniveau en op centraal niveau. Aldus laat zich een structuur voorstellen die wel degelijk werkbaar zou (moeten ) kunnen zijn. Maar de structuur moet dan wel van onderop worden georganiseerd, zoals uit de hierboven weergegeven citaten blijkt.”
Reeds hierom kan het onderdeel niet tot cassatie leiden.
sub 1°Wmcz op het centrale niveau gehouden is om in te stellen, maar op de cliëntenraden op instellingsniveau, bedoeld in
sub 2°(i.c.: op het niveau van de zelfsturende teams). Voor díe cliëntenraden is het mogelijk om bepaalde bevoegdheden over te hevelen naar ‘hogere’ cliëntenraden. Dit is precies wat volgt uit de parlementaire geschiedenis (zie de passages aangehaald onder punt 4.11): de cliëntenraden kunnen bevoegdheden overdragen aan een centrale cliëntenraad. Het oordeel van het hof getuigt dus niet van een onjuiste rechtsopvatting.
instellingsniveau altijd berusten op ‘delegatie van onderop’, stuit deze klacht eveneens af op het voorgaande. Daarbij zij nog opgemerkt dat het vanzelfsprekend is dat de cliëntenraden op het ‘lagere’ niveau alleen bevoegdheden kunnen overdragen waarover zij ook daadwerkelijk beschikken. De overwegingen van het hof geven niet blijk van een andersluidend oordeel hierover.
5.Bespreking van de klachten in het incidenteel cassatieberoep
voorbeeld. Daarbij komt dat het hof in rov. 3.7.3 overweegt dat “het er De Biezenrijt c.s. (…) klaarblijkelijk om ging om langs de weg van art. 2 Wmcz Pro af te dwingen dat de op lokaal niveau (waar daadwerkelijk zorg wordt verleend) binnen [Lunet Zorg] bestaande
formeelvolwaardige raden ook als zodanig behandeld worden en conform de wet worden vormgegeven”. Het hof heeft dus onderkend dat het verzoek van De Biezenrijt c.s. méér inhield dan het verzoek om Lunet Zorg te bevelen De Biezenrijt c.s. te betrekken bij de invoering van de nieuwe medezeggenschapsstructuur.
Reeds hierop stuit de klacht af.
onderdeel 1.3.
onderdeel 1.3houdt in dat het oordeel van het hof in rov. 3.16, dat het verzoek van De Biezenrijt c.s. materieel gezien op art. 3 Wmcz Pro was gebaseerd, onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd, omdat het hof geen inzicht heeft gegeven in de daartoe leidende gedachtegang. Het oordeel is bovendien onbegrijpelijk in het licht van de bewoordingen van het verzoek onder I in het petitum van het inleidende verzoekschrift.
onderdeel 1.5wordt geklaagd over de onjuistheid van het oordeel van het hof in rov. 3.16-3.18, dat uit de omstandigheid dat het verzoek materieel gegrond was op art. 3 Wmcz Pro volgt dat De Biezenrijt c.s. in eerste aanleg niet-ontvankelijk hadden moeten worden verklaard. De ontvankelijkheid van het verzoek moet worden beoordeeld aan de hand van de door verzoekers formeel gehanteerde grondslag. Als vervolgens blijkt dat het materieel gaat om een verzoek ex art. 3 Wmcz Pro, moet het verzoek worden afgewezen, aldus het onderdeel.
onderdeel 1.6, waarin wordt betoogd dat het oordeel van het hof dat niet-ontvankelijkheid had moeten volgen niet te rijmen is met ’s hofs oordeel dat het verzoek in hoger beroep wel ontvankelijk is, geen bespreking meer behoeft.
tweede onderdeelklaagt over rov. 3.63 tot en met 3.66 van het bestreden arrest. Volgens het onderdeel is daar door het hof ten onrechte overwogen dat de kosten van de advocaat van De Biezenrijt c.s. in eerste aanleg niet ten laste van Lunet Zorg kunnen worden gebracht, omdat er – nu De Biezenrijt c.s. in eerste aanleg niet-ontvankelijk hadden moeten worden verklaard – geen sprake is geweest van een rechtsgeding als bedoeld in art. 10 lid 2 Wmcz Pro (rov. 3.63- 3.64). Volgens
onderdeel 2.1getuigt dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het hof miskent dat van een rechtsgeding ook sprake is als een (gerechtelijke) procedure is gevoerd die is uitgemond of had moeten uitmonden in niet-ontvankelijkheid. Volgens
onderdeel 2.2is het oordeel van het hof bovendien onbegrijpelijk, omdat het erop neerkomt dat De Biezenrijt c.s. niet ontvankelijk
hadden dienen te worden verklaarden dat om die reden geen sprake
is (geweest)van een rechtsgeding. Die redenering is niet te volgen; er is wél een reëel rechtsgeding geweest, aldus het onderdeel.
door te bepalen dat de kosten van rechtsgedingen die de cliëntenraad voert tegen de zorgaanbieder, voor rekening van de zorgaanbieder komen (…)”en dat dit artikel exclusief de toepassing van art. 10 lid 2 Wmcz Pro door de cliëntenraad betreft. [64] Bij brief van 5 september 1994 heeft de minister voorts aan de Tweede Kamer geschreven dat met art. 2 lid 5 Wmcz Pro “
wordt voorkomen dat een gebrek aan financiële middelen een cliëntenraad zou verhinderen zich, in het geval van onvoldoende naleving door de zorgaanbieder van de wet, tot de kantonrechter te wenden”. [65]
onderdelen 2.1 en 2.2.Nu het verzoekschrift van De Biezenrijt c.s. inhield dat Lunet Zorg zou worden bevolen om art. 2 Wmcz Pro na te leven, was sprake van een rechtsgeding zoals bedoeld in art. 10 lid 2 Wmcz Pro. Noch in de tekst van de wet noch in de parlementaire geschiedenis zijn aanknopingspunten te vinden voor de gedachte dat als vereiste voor toepassing van art. 2 lid 5 Wmcz Pro óók geldt dat de cliëntenraad in het door hem ingediende verzoek moet kunnen worden ontvangen. Het ligt ook niet voor de hand om zo'n vereiste aan te nemen, omdat een cliëntenraad die een verzoek ex art. 2 Wmcz Pro indient dan het risico loopt dat hij de proceskosten zelf moeten dragen als om enige reden geoordeeld wordt dat het verzoek niet-ontvankelijk is, bijvoorbeeld (zoals hier) omdat materieel sprake is van een verzoek ex art. 3 Wmcz Pro. Dat er gevallen zijn waarin niet zonder meer duidelijk is op welke grondslag het verzoek gebaseerd is, illustreert de onderhavige zaak. Onduidelijkheid hierover zou een cliëntenraad ervan kunnen weerhouden om een verzoekschrift in te dienen, waarmee de positie van de cliëntenraad juist wordt verzwakt, terwijl het klaarblijkelijk de bedoeling van art. 2 lid 5 Wmcz Pro is om de positie van de cliëntenraad te versterken. Daarbij komt dat een cliëntenraad die bijvoorbeeld van mening is dat in eerste aanleg ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat materieel sprake is van een verzoek ex art. 3 Wmcz Pro in plaats van een verzoek ex art. 2 Wmcz Pro, in staat moet zijn om in hoger beroep tegen dit oordeel op te komen. Daarvoor is het van belang dat art. 2 lid 5 Wmcz Pro ook op dergelijke gevallen van toepassing is.
Volgens het onderdeel getuigt dit oordeel van een verkeerde toepassing van de devolutieve werking van het appel, althans treedt het hof hiermee buiten de grenzen van de rechtsstrijd in appel. Lunet Zorg heeft immers bewust niet gegriefd tegen het – voor haar nadelige – oordeel van de kantonrechter dat De Biezenrijt c.s. in hun verzoek ex art. 10 lid 2 jo Pro. art. 2 lid 5 Wmcz Pro ontvankelijk zijn. Dit oordeel heeft daarmee gezag en kracht van gewijsde gekregen en kan door het hof dus niet worden aangetast. Het oordeel van het hof heeft tot gevolg dat er twee tegenstrijdige uitspraken bestaan.
Het antwoord op die vraag moet ontkennend luiden. Dat zou
eventueelanders kunnen zijn als grief 3 in het principaal appel (die zag op de matiging van de proceskosten) zou slagen. Het hof heeft die grief echter niet behandeld, maar heeft volstaan met de constatering dat
grief 2slaagt. Die constatering kan echter niet redengevend zijn voor het behandelen van het ontvankelijkheidsverweer van Lunet Zorg. Bij de toepassing van de regel dat bij het slagen van een grief alsnog de door de rechtbank verworpen of niet besproken stellingen of verweren moeten worden behandeld, is immers wel vereist dat het gaat om stellingen of verweren die betrekking hebben op
het betreffende onderdeel van het processuele debat. [70] Anders gezegd: het gaat niet om het slagen van 'any' grief, maar om het slagen van een grief die ziet op de kwestie waarop de verworpen of niet besproken stellig of verweer betrekking heeft. Daar is in dit geval niet aan voldaan: grief 2 ging over het instellingsbegrip in de Wmcz en niet over de proceskosten.
Het hof heeft dus ten onrechte het ontvankelijkheidsverweer van Lunet Zorg behandeld. De klacht dat het hof een onjuiste toepassing heeft gegeven aan de devolutieve werking van het hoger beroep, slaagt derhalve.
eventueelin het vorige punt - dat het na het Fafianie-arrest [71] maar zeer de vraag is of Lunet Zorg niet gehouden was om een incidentele grief te richten tegen het ontvankelijkheidsoordeel van de kantonrechter, indien zij dit in hoger beroep alsnog aan de orde wilde stellen. Hoewel de implicaties van dit arrest nog niet geheel duidelijk zijn, [72] is goed te verdedigen dat die voor het onderhavige geval inhouden dat Lunet Zorg haar door de kantonrechter verworpen verweer dat De Biezenrijt c.s. niet ontvankelijk waren in hun verzoek, expliciet in een incidentele grief had moeten neerleggen om dit in hoger beroep opnieuw behandeld te zien. [73] Anders dan in het cassatiemiddel wordt betoogd doet zich hier overigens niet voor dat er twee onherroepelijk uitspraken met gezag van gewijsde kunnen bestaan met betrekking tot hetzelfde geschilpunt. In het incidentele appel was immers, anders dan het incidentele cassatieberoepschrift tot uitgangspunt wordt genomen, wel degelijk opgekomen tegen de toewijzing van het bedrag van € 17.500,-. De beschikking van de kantonrechter had op dat punt dan ook geen gezag van gewijsde gekregen.