ECLI:NL:PHR:2016:822

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 juni 2016
Publicatiedatum
16 augustus 2016
Zaaknummer
15/00101
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 359 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vermindert betalingsverplichting wegens overschrijding redelijke termijn in ontnemingszaak

In deze zaak stond de vraag centraal of de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM was overschreden in de cassatiefase van een ontnemingsprocedure. De verdediging stelde dat de overschrijding van de redelijke termijn tot vermindering van het ontnemingsbedrag moest leiden. Het hof had in hoger beroep de betalingsverplichting opgelegd zonder in het bijzonder de redenen te geven waarom het was afgeweken van het door de verdediging onderbouwde standpunt over de termijnoverschrijding.

De Hoge Raad oordeelde dat de redelijke termijn in hoger beroep en cassatie inderdaad was overschreden. Echter, omdat de overschrijding ook speelde in de samenhangende strafzaak, kon de compensatie worden toegepast in die hoofdzaak. De Hoge Raad besloot daarom om de zaak zelf af te doen en de betalingsverplichting te verminderen volgens de maatstaven die in ontnemingszaken gelden bij overschrijding van de redelijke termijn.

De Hoge Raad verwierp het eerste middel dat tot cassatie zou moeten leiden, maar gaf wel aan dat het hof in strijd met artikel 359, tweede lid, tweede volzin Sv niet de vereiste motivering had gegeven bij het niet verminderen van het ontnemingsbedrag. De uitspraak werd vernietigd voor zover het de hoogte van de betalingsverplichting betreft en verminderd, terwijl het beroep voor het overige werd verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de betalingsverplichting wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep en cassatie.

Conclusie

Nr. 15/00101 P
Zitting: 14 juni 2016
Mr. F.W. Bleichrodt
Conclusie inzake:
[betrokkene]
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij uitspraak van 31 december 2014 de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 83.314,90.
De onderhavige zaak hangt samen met de strafzaak tegen de betrokkene met nummer 15/00098, waarin ik vandaag eveneens concludeer.
Namens de betrokkene is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het
eerste middelbehelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.
Namens de betrokkene is op 5 januari 2015 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 23 oktober 2015 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen, zodat de inzendingstermijn van acht maanden is overschreden.
Dit brengt mee dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM inderdaad is overschreden. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Ook in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. De compensatie, tot welke de overschrijding van de redelijke termijn moet leiden, kan worden toegepast in de hoofdzaak. Gelet hierop is er geen aanleiding om in de onderhavige zaak aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en kan de Hoge Raad met dat oordeel volstaan. [1]
7. Het middel kan niet tot cassatie leiden.
8. Het
tweede middelbevat de klacht dat het hof heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inzake de overschrijding van de redelijke termijn.
9. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 december 2014 blijkt dat de raadsman aldaar het woord heeft gevoerd overeenkomstig een aan het hof overgelegde en aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt onder de aanhef “Ontnemingsvordering” het volgende in:
“De verdediging verzoekt u de ontnemingsvordering niet-ontvankelijk te verklaren in verband met de verzochte integrale vrijspraak.
Subsidiair is de verdediging van oordeel dat de redelijke termijn is geschonden. Het hoger beroep in de ontnemingszaak is op 12 september 2012 ingesteld, terwijl pas op zijn vroegst op 31 december 2014 uitspraak zal worden gedaan. Dit dient te leiden tot vermindering van het eventuele ontnemingsbedrag.”
10. Hetgeen door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het hof naar voren is gebracht. Het verzoek is summier, maar voldoende gemotiveerd. De raadsman van de betrokkene heeft immers zijn standpunt dat de redelijke termijn is overschreden toegelicht aan de hand van de duur van de behandeling van de zaak in hoger beroep. Uit deze toelichting volgt dat de behandeling in hoger beroep meer dan twee jaren in beslag heeft genomen. Het hof is in zijn arrest van dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt afgeweken door het ontnemingsbedrag niet te verminderen, maar heeft in strijd met art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv niet in het bijzonder de redenen opgegeven die daartoe hebben geleid. Het middel klaagt daarover terecht.
11. Ik geef de Hoge Raad om redenen van doelmatigheid in overweging de zaak zelf af te doen. [2] Nu het hoger beroep is ingesteld op 12 september 2012 en het hof uitspraak heeft gedaan op 31 december 2014, moet er in cassatie van worden uitgegaan dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM bij de behandeling van de zaak in hoger beroep is overschreden. [3] De Hoge Raad kan de betalingsverplichting verminderen in overeenstemming met de maatstaven die de Hoge Raad in ontnemingszaken heeft ontwikkeld voor overschrijding van de redelijke termijn in de fase na de uitspraak waartegen beroep in cassatie is ingesteld. [4]
12. Volledigheidshalve voeg ik aan het voorafgaande nog toe dat er in cassatie niet van uit kan worden gegaan dat het hof in verband met de overschrijding van de redelijke termijn in de hoofdzaak strafvermindering heeft toegepast. [5] Daaraan doet niet af dat het hof in de hoofdzaak heeft overwogen dat het “in het voordeel van verdachte het tijdsverloop in deze zaak” heeft meegewogen en daarom – in plaats van de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk – een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren heeft opgelegd. Uit de strafmotivering van het hof in de hoofdzaak kan immers niet worden afgeleid dat het hof in die zaak strafvermindering heeft toegepast in verband met een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Daarbij neem ik in aanmerking dat het hof niet heeft geconstateerd dat de redelijke termijn is overschreden en dat de raadsman aan zijn verzoek om strafvermindering ten grondslag heeft gelegd dat de zaak reeds vier en een half jaar oud was en daarnaast dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. De enkele, algemene verwijzing door het hof naar het tijdsverloop in de zaak is tegen deze achtergrond ontoereikend om aan te nemen dat het hof de strafvermindering heeft aangemerkt als een compensatie voor de overschrijding van de redelijke termijn in de fase van het hoger beroep.
13. Het eerste middel is terecht voorgesteld maar behoeft niet tot cassatie te leiden. Het tweede middel slaagt. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting, tot vermindering van het bedrag naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. Mevis, rov. 3.6.3 sub B.
2.Vgl. HR 14 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:947.
3.Vgl. HR 4 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:947.
4.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. Mevis, rov. 3.6.1-3.6.3.
5.Vgl. HR 3 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8417.