Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking cassatiemiddel
( [1] )door bij rolbeschikking van 7 mei 2013 aan Rabobank akte van niet-dienen te verlenen en daarop in de latere rolbeschikkingen en het eindarrest niet terug te komen. Het hof had op de rolzitting van 7 mei 2013 aan Rabobank geen akte van niet-dienen mogen verlenen en had op de rolzitting van 21 mei 2013, zoals verzocht, een uitstel van vier weken voor het nemen van een memorie van grieven dienen te verlenen. Indien en voor zover het hof bij haar beslissing om akte van niet-dienen te verlenen enige waarde heeft gehecht aan het feit dat [eiser] al eerder uitstel had gehad, gaat het oordeel uit van een onjuiste rechtsopvatting, nu dit er volgens [eiser] niet toe doet.
( [2] )Naar aanleiding van de gelijkluidende artikelen 6.2. en 6.3 uit het Landelijke Procesreglement voor civiele dagvaardingen bij Gerechtshoven overweegt de Hoge Raad in rov. 3.4 onder meer het volgende:
“Indien de omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven, kan het hof van dit reglement afwijken.”Deden zich in casu omstandigheden voor die konden rechtvaardigen, dat op de rolzitting van 7 mei 2013 aan Rabobank de akte van niet-dienen werd verleend hoewel op die zitting de advocaat van [eiser] zich aan de zaak onttrok en de zaak naar 21 mei 2013 werd verwezen ten einde [eiser] de gelegenheid te bieden een nieuwe advocaat te stellen? Die vraag kan, naar het voorkomt, bevestigend worden beantwoord. Blijkens het in het geding gebrachte roljournaal was de zaak vóór 7 mei 2013 al zeven maal aangehouden voor het indienen van de memorie van grieven. Op die 7 mei diende de zaak daarvoor dus al voor de achtste maal en was bovendien [eiser] peremptoir gesteld en hem de verlening aan Rabobank van akte van niet-dienen in het vooruitzicht gesteld. Uitgerekend op die 7 mei onttrok de advocaat, die tot dan voor [eiser] was opgetreden, zich aan de zaak. Een goede verklaring hiervoor van de zijde van [eiser] treft men in de stukken van de vorige instanties niet aan. Een en ander roept het gevoel op dat [eiser] bezig was met het frustreren van het goede verloop van de appelprocedure die door hem zelf al op 12 december 2011 was gestart. Dat gevoel wordt mede gevoed door het gegeven dat uit de stukken van de feitelijke instanties niet blijkt van een goede motivering voor het verzoek op 21 mei 2013 om een verder uitstel voor het nemen van de memorie van grieven en dat de advocaat, die op 21 mei 2013 zich voor [eiser] had gesteld, op 4 juni 2013 al weer terugtrad. Dat deze gang van zaken tot en met 7 mei 2013 het hof op 7 mei 2013 heeft doen besluiten aan Rabobank, zoals door deze verzocht, akte van niet-dienen te verlenen ondanks het terugtreden op die dag van de advocaat van [eiser] op dat moment, valt in het licht van de hiervoor genoemde omstandigheden alleszins te begrijpen en te billijken. In dit verband verdient ook vermelding artikel 20 Rv Pro, waarin is bepaald dat de rechter waakt tegen onredelijke vertraging van de procedure en, zo nodig, op verzoek of ambtshalve maatregelen treft.