Conclusie
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
Ten aanzien van de feiten 2 subsidiair en 3 subsidiair
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplichtigheid aan oplichting en overtreding van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 en de Wet toezicht kredietwezen 1992. Het hof veroordeelde verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van vijf maanden en legde schadevergoedingsmaatregelen op.
De Hoge Raad stelt vast dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het zonder vergunning aanbieden van effectenbemiddeling als een voortdurend delict moet worden beschouwd, waardoor de aanvang van de verjaring onduidelijk blijft. Daarnaast concludeert de Hoge Raad dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat het opzet van verdachte niet mede gericht hoefde te zijn op het overtreden van het verbod, terwijl uit de bewijsvoering niet blijkt dat verdachte wist dat er zonder vergunning werd geopereerd.
De Hoge Raad benadrukt dat het aanbieden van effectenbemiddeling zonder vergunning al strafbaar is zodra het aanbod wordt gedaan, ongeacht of de transacties daadwerkelijk worden uitgevoerd. Dit beschermt particuliere beleggers tegen malafide praktijken. De Hoge Raad beveelt aan de bewezenverklaring aan te passen en het beroep te verwerpen, maar acht de vervolging voor bepaalde feiten verjaard.
Ten slotte wordt geconcludeerd dat verdachte wel gelegenheid en middelen heeft verschaft door haar rol als bestuurder en het gebruik van bankrekeningen, maar dat het vereiste opzet op het zonder vergunning opereren niet uit de bewijsvoering blijkt, waardoor het middel slaagt.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep, verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk voor bepaalde feiten wegens verjaring en bevestigt de veroordeling voor de overige feiten.