ECLI:NL:PHR:2016:589

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 juni 2016
Publicatiedatum
5 juli 2016
Zaaknummer
15/05576
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37 SrArt. 37a SrArt. 80a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt terbeschikkingstelling verdachte doodslag 88-jarige vrouw ondanks discussie over gedragsrapportages

Op 16 juni 2009 heeft de toen 18-jarige verdachte een 88-jarige vrouw in een verzorgingshuis te Meppel opzettelijk van het leven beroofd door haar te wurgen. Het slachtoffer werd levenloos aangetroffen met handen en mond afgeplakt met plakband. Op het plakband werden vingerafdrukken en DNA van de verdachte aangetroffen.

De rechtbank veroordeelde de verdachte tot tien jaar gevangenisstraf wegens doodslag. Het hof Arnhem-Leeuwarden bevestigde dit vonnis, stelde de straf vast op acht jaar en gelastte terbeschikkingstelling met verpleging. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen de beslissing, met name gericht op de motivering van de terbeschikkingstelling en de bruikbaarheid van de gedragsdeskundigenrapportages.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof de rapportages terecht als bruikbaar heeft aangemerkt, ondanks dat deze ruim 29 maanden voor het arrest waren gedateerd en de verdachte destijds jonger was dan 23 jaar. Het hof had rekening gehouden met de psychologische ontwikkeling van de verdachte en het feit dat het onderzoek ter terechtzitting binnen een jaar na de dagtekening van de rapportages was aangevangen. De Hoge Raad verwierp het middel en verklaarde het cassatieberoep niet-ontvankelijk.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk en bevestigt de terbeschikkingstelling met verpleging en gevangenisstraf van acht jaar wegens doodslag.

Conclusie

Nr. 15/05576
Zitting: 14 juni 2016 (bij vervroeging)
Mr. D.J.C. Aben
Standpunt/conclusie inzake:
[verdachte]
1. Bij arrest van 12 november 2015 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen, van 14 juni 2013 bevestigd, behoudens de strafoplegging. De rechtbank heeft de verdachte wegens doodslag was veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren en gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en bevolen dat hij van overheidswege zal worden verpleegd. Het arrest van het hof is gepubliceerd op rechtspraak.nl. [1]
2. Namens de verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, een middel van cassatie voorgesteld.
3. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij, kort gezegd, op 16 juni 2009 te Meppel de toen 88-jarige [slachtoffer] in een kamer van Zorgcentrum [A] opzettelijk van het leven heeft beroofd door haar te wurgen. De hulpbehoevende, slechtziende en slechthorende vrouw is levenloos op haar bed aangetroffen, liggend op haar buik. Haar handen waren voor haar lichaam aan elkaar gebonden met breed bruin plakband, en de mond was eveneens afgeplakt met breed bruin plakband. Haar onderlichaam was ontbloot.
4. Op de tape waarmee de handen van het slachtoffer waren vastgebonden is een vingerafdruk van de verdachte aangetroffen en celmateriaal waarvan het DNA-profiel overeenkomt met het DNA-profiel van de verdachte. Dat celmateriaal was enkele jaren na het feit van de verdachte afgenomen op basis van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, nadat hij in september 2012 wegens de mishandeling van een politieambtenaar was veroordeeld. Ten tijde van het bewezenverklaarde feit was de verdachte achttien jaar oud.
5. Het
middelbehelst de klacht dat de last tot terbeschikkingstelling onvoldoende met redenen is omkleed. De toelichting op het middel is beperkter verwoord en richt zich tegen het oordeel van het hof inzake de bruikbaarheid van de rapportages van de gedragsdeskundigen. Ik zal me tot die meer specifieke klacht beperken omdat de algemene motiveringsklacht niet nader is onderbouwd.
6. Het oordeel van het hof inzake de bruikbaarheid van de rapportages van de gedragsdeskundigen is onbegrijpelijk “
in het licht van [de] omstandigheid dat het hof pas op 12 november 2015 uitspraak heeft gedaan, derhalve 30 maanden nadat de rapportages zijn gedateerd, terwijl de rapportages zijn afgerond op een moment dat verdachte nog geen 23 jaar was en de rechtbank eerder juist (mede) op grond van de rapportages heeft afgezien van het opleggen van de maatregel”, aldus de steller van het middel.
7. Het middel doet een beroep op het bepaalde in artikel 37, tweede lid, Sr. Daarin zijn nadere voorwaarden gesteld aan het advies van ten minste twee gedragsdeskundigen die aan de rechter moeten zijn overgelegd alvorens hij op basis van artikel 37a Sr kan gelasten dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld. [2] De laatste volzin van artikel 37, tweede lid, Sr houdt in dat, indien het advies eerder dan een jaar voor de aanvang van de terechtzitting is gedagtekend, de rechter hiervan slechts gebruik kan maken met instemming van het OM en de verdachte.
8. Het hof heeft geconstateerd dat de adviezen op 23 respectievelijk 24 mei 2013 zijn gedateerd en dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is aangevangen op 3 september 2013. Het onderzoek is vervolgens op 1 mei 2014 hervat in de samenstelling die het arrest heeft gewezen, zodat het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen binnen één jaar na dagtekening van de adviezen. Over deze constateringen wordt in cassatie niet geklaagd.
9. Nadat het hof heeft geconstateerd dat de rapportages in beginsel bruikbaar zijn, overweegt het hof dat dit slechts anders zou zijn:
“indien tussen de dagtekeningen van de rapportages en het sluiten van het onderzoek ter terechtzitting (in hoger beroep) een onredelijk lange termijn ligt en de bedoelde rapportages onvoldoende actualiteitswaarde hebben om (mede) daarom de beslissing te baseren. Hiervan is naar het oordeel van het hof geen sprake. Het hof tekent daarbij aan dat ook de verdediging ter terechtzitting te kennen heeft gegeven het ervoor te houden dat er geen wettelijk beletsel is voor de bruikbaarheid van de rapportages.”
10. In cassatie wordt aangevoerd dat deze overweging onbegrijpelijk is, en wel om de volgende redenen:
- het hof doet pas uitspraak ruim 29 maanden nadat de adviezen zijn gedateerd;
- de verdachte was ten tijde van de onderzoeken door de gedragsdeskundigen jonger dan 23 jaar;
- de verdachte ten tijde van het delict 18 jaar oud was;
- een wezenlijke psychologische ontwikkeling ter voorkoming van specifiek risico-gedrag van jeugdigen en jongvolwassenen treedt pas op na het 18e levensjaar; [3]
- de rechtbank heeft juist mede op grond van de rapportages de maatregel niet opgelegd.
11. De context waarbinnen in cassatie moet worden beoordeeld of het oordeel van het hof inzake de bruikbaarheid van de rapportages van de gedragsdeskundigen, begrijpelijk is, wordt gevormd door het bepaalde in artikel 37, tweede lid, Sr zoals dat door de Hoge Raad is uitgelegd in zijn arrest van 26 maart 1991. De Hoge Raad heeft daarin overwogen dat als aanvang van de in artikel 37, tweede lid, Sr gegeven termijn de dagtekening van het overgelegde advies moet worden genomen, en daaraan toegevoegd dat deze regel uitzondering zou kunnen leiden “
indien tussen de tijd waarin het onderzoek zijn beslag heeft gekregen en de dagtekening van het advies een zodanig lange termijn is verstreken dat de inhoud van het advies geacht moet worden niet de toestand van de onderzochte ten tijde van het onderzoek weer te geven.” [4]
12. Het middel stelt in essentie de begrijpelijkheid aan de orde van ’s hofs antwoord op de vraag of “
de inhoud van het advies geacht moet worden niet de toestand van de onderzochte ten tijde van het onderzoek weer te geven.” Dit antwoord betreft een feitelijk oordeel dat in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst.
13. De begrijpelijkheid van dát oordeel wordt niet anders indien de beslissing van de rechtbank daarvan afwijkt. Bovendien heeft de rechtbank zich in haar vonnis juist niet uitgelaten over de vraag of de inhoud van de adviezen geacht kan worden de toestand van de onderzochte (hierna: de verdachte) ten tijde van het onderzoek weer te geven. [5] Evenmin maakt de leeftijd van de verdachte ten tijde van het delict het oordeel van het hof onbegrijpelijk, omdat de adviezen niet rond die tijd zijn opgesteld maar jaren later. Daaruit volgt ook dat in die adviezen rekening kon worden gehouden met de “
wezenlijke psychologische ontwikkeling” van jongvolwassenen die (kennelijk) na het 18e levensjaar pleegt op te treden. Voor zover daarmee wordt bedoeld dat de toestand van de verdachte wezenlijk was veranderd
nadatde adviezen waren gedagtekend, wijs ik erop dat de verdachte in oktober 2015 op advies van zijn raadsman heeft geweigerd mee te werken aan een aanvullende rapportage van dezelfde twee gedragsdeskundigen. De verdachte kan er dan niet met succes over klagen dat de door het hof gebruikte adviezen niet diens toestand ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting weergeven (als dat al zo zou zijn). [6]
14. Ten slotte is voor de beoordeling van de begrijpelijkheid van ‘s hofs oordeel hof van belang dat ter terechtzitting niet is aangevoerd dat de adviezen op dat moment niet de toestand van de verdachte weergeven. Ter terechtzitting van 29 oktober 2015 heeft het hof de verdachte uitdrukkelijk voorgehouden dat de rapportages van de gedragsdeskundigen van eind mei 2013 “
juridisch gezien bruikbaar zijn, nu het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep binnen een jaar na dato is aangevangen”. In datzelfde proces-verbaal is daarbij door de griffier opgemerkt: “
De raadsman knikt instemmend.”
15. Het middel faalt.
16. De verdachte kan m.i. niet-ontvankelijk worden verklaard in het cassatieberoep op de voet van artikel 80a RO, omdat het middel klaarblijkelijk niet tot cassatie kan leiden.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

2.In art. 37a lid 3 Sr zijn art. 37 lid 2 en Pro 3 Sr van overeenkomstige toepassing verklaard.
3.Onder verwijzing naar
5.Een dergelijk oordeel zou mij ook hebben verbaasd omdat de rechtbank haar vonnis op 14 juni 2013 heeft uitgesproken en de adviezen zijn gedateerd op 23 respectievelijk 24 mei 2013.
6.Zie ook nog