Conclusie
de bij advocatenaangetroffen stukken (correspondentie, e-mails, declaraties) zien op de advisering over aandelen- en vastgoed transacties, andere financiële transacties en dienstverlening anderszins aan verdachten”. Daardoor is onduidelijk of ook – en zo ja in hoeverre – de onder [A] inbeslaggenomen stukken waarvan de klager heeft gesteld dat ze object zijn van zijn verschoningsrecht, tot deze ‘categorie’ behoren. Maar ook voor zover dat het geval mocht zijn, is deze door de RC gegeven algemene omschrijving van de stukken te ruim om die stukken op grond daarvan aan te merken als brieven en geschriften die voorwerp zijn van de door de Rechtbank omschreven witwasconstructies of tot het begaan daarvan hebben gediend. Dat wordt niet anders door hetgeen de Rechtbank heeft vastgesteld met betrekking tot het criminele karakter van alle financiële transacties die aan de verdachten in deze zaak kunnen worden gelieerd. Gelet op de ruime uitleg die de Hoge Raad heeft gegeven aan het begrip instrumenta delicti valt goed te verdedigen dat van dergelijke instrumenta sprake is voor zover het gaat om correspondentie waarin advies wordt gegeven of overleg wordt gevoerd met betrekking tot financiële transacties die nog moeten plaatsvinden. In dit verband verdient opmerking dat de Hoge Raad niet lijkt te eisen dat de gegeven adviezen zijn opgevolgd. Alle stukken die betrekking hebben op het overleg dat tot het strafbare feit heeft geleid (waaronder de notulen van gevoerde besprekingen) hebben als ik het goed begrijp in de ogen van de Hoge Raad bijgedragen aan de totstandkoming van het strafbare feit. Voor declaraties die betrekking hebben op gegeven adviezen, geldt dat echter niet. Declareren doet men doorgaans achteraf. Nu de RC ook declaraties schaart onder de stukken die zien op de advisering, is de vraag of de correspondentie en de e-mails die hij noemt, niet ook (geheel of gedeeltelijk) betrekking hebben op adviezen die reeds zijn gegeven. In elk geval is niet duidelijk welke stukken declaraties zijn en welke niet.
nu zeer wel denkbaaris dat deze transacties en advisering daaromtrent onderdeel uitmaken van het witwassen en de daartoe opgerichte constructies” en dat “de rechter-commissaris die inzage heeft gehad in de stukken zulks ten aanzien van een elftal documenten - betrekking hebbend op klager - heeft vastgesteld.” Het moge zo zijn dat “zeer wel denkbaar is” dat die stukken ten aanzien waarvan de klager heeft gesteld dat zij object zijn van zijn verschoningsrecht, betrekking hebben op transacties en advisering die onderdeel uitmaken van de bestaande verdenking van witwassen en de daartoe opgerichte constructies, maar het is juist aan de beklagrechter om te beoordelen of dat in werkelijkheid het geval is. Als de Rechtbank daartoe niet goed in staat is doordat zij geen kennis heeft genomen van de desbetreffende stukken, doet zij er goed aan van de RC alsnog een gespecificeerd oordeel te vragen dan wel zelf kennis te nemen van de stukken.