Conclusie
[verzoeker],
subonderdeel 1cvalt geen cassatieklacht te ontdekken, zodat dit zelfstandige betekenis mist.
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak is de schuldsaneringsregeling van verzoeker tussentijds beëindigd door de rechtbank omdat hij herhaaldelijk zijn afdrachtverplichting aan de boedel niet nakwam, waardoor een aanzienlijke boedelachterstand ontstond. Verzoeker stelde in hoger beroep dat onverwachte zorgkosten voor zijn gezin de oorzaak waren van de achterstand en dat een verlenging van de regeling de achterstand zou kunnen inlopen. Het hof bekrachtigde het vonnis en oordeelde dat verzoeker onvoldoende had voldaan aan zijn verplichtingen en niet aannemelijk kon maken de achterstand voor het einde van de regeling in te lopen.
Verzoeker stelde in cassatie dat de persoonlijke omstandigheden onvoldoende waren meegewogen en dat hij wel overleg had gevoerd met de bewindvoerder. De Hoge Raad oordeelde dat verzoeker de bewindvoerder niet tijdig en inzichtelijk had geïnformeerd over de zorgkosten en dat hij ondanks herhaalde waarschuwingen de boedelachterstand had laten oplopen. Het hof had een feitelijke beoordeling gemaakt die niet onbegrijpelijk was. Ook het niet verlengen van de regeling was een discretionaire bevoegdheid van de rechter die niet onjuist was toegepast.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep niet-ontvankelijk op grond van art. 80a lid 1 RO, waarmee het arrest van het hof in stand bleef. De zaak benadrukt het belang van strikte naleving van afdrachtverplichtingen binnen de schuldsaneringsregeling en het tijdig informeren van de bewindvoerder over bijzondere omstandigheden.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het tussentijds beëindigen van de schuldsaneringsregeling wordt bevestigd.