Conclusie
“een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, of hem daartoe middelen of inlichtingen te verschaffen, terwijl hij weet dat dat verblijf wederrechtelijk is, terwijl het feit wordt begaan door een persoon die daarvan een gewoonte maakt”,2.
“poging tot oplichting, meermalen gepleegd”, 4.
“valsheid in geschrift, gepleegd in een authentieke akte, meermalen gepleegd en opzettelijk gebruik maken van een valse authentieke akte, als ware die echt en onvervalst, meermalen gepleegd”en 5.
“zonder daartoe gerechtigd te zijn de titel van advocaat voeren, meermalen gepleegd”veroordeeld. Voor de onder 1, 2 en 4 bewezenverklaarde feiten is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest. Voor het onder 5 bewezenverklaarde feit is de verdachte veroordeeld tot een geldboete van € 500,-, subsidiair tien dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof de onttrekking aan het verkeer bevolen van een aantal in het bestreden arrest omschreven voorwerpen, en heeft het Hof van een aantal andere in beslag genomen voorwerpen de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelast, een en ander als omschreven in het bestreden arrest.
4.Het eerste middel
NJ1998/558 oordeelde hij dat de bemiddeling bij schijnhuwelijken ten einde zo voor de illegaal in Nederland verblijvende partner een verblijfsstatus te krijgen, onder art. 197a Sr valt als die bemiddeling uit winstbejag geschiedt. [7] Hoewel het in het arrest niet direct om de uitleg van het bestanddeel wederrechtelijk ging (het middel betoogde dat het feit dat de wetgever destijds voornemens was om aparte strafbepalingen te maken ten aanzien van het arrangeren van schijnhuwelijken, maakte dat toepassing van art. 197a Sr was uitgesloten), kan daaruit moeilijk een andere conclusie worden getrokken dan dat de Hoge Raad van oordeel is dat een onder valse voorwendselen verkregen verblijfsvergunning maakt dat het verblijf wederrechtelijk is in de zin van art. 197a Sr, althans dat de verkrijging van die verblijfsvergunning niet maakt dat de wederrechtelijkheid van het verblijf wordt weggenomen. Ik teken daarbij aan dat het feit dat de Hoge Raad niet ambtshalve casseerde destijds nog iets wilde zeggen, zeker als daarbij in aanmerking wordt genomen dat A-G Machielse het uitlegprobleem in zijn conclusie expliciet aan de orde had gesteld. “De bemiddelaar bevordert”, zo betoogde Machielse, ”dat de vreemdeling op valse titel in Nederland een verblijfsstatus verwerft en onder dat mom zijn verblijf kan continueren. Het illegaal verblijf wordt zo gecamoufleerd door een huwelijk dat achteraf nietig kan worden verklaard omdat het enkel is gesloten om toegang tot Nederland te krijgen. Door een schijnhuwelijk te sluiten wordt een verblijf in Nederland niet legaal. Er is en blijft sprake van wederrechtelijk verblijf.” [8]