ECLI:NL:PHR:2016:189

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 februari 2016
Publicatiedatum
6 april 2016
Zaaknummer
15/04244
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11a OpiumwetArt. 11, derde lid OpiumwetArt. 11, vijfde lid OpiumwetArt. 3 onder B OpiumwetArt. 94 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt beschikking teruggave beslag wegens voortijdige beoordeling strafzaak

De zaak betreft een beklag ex artikel 552a Sv tegen een beschikking van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, die het klaagschrift gegrond verklaarde en teruggave van goederen en geld gelastte die in beslag waren genomen op grond van artikel 94 Sv Pro in verband met verdenking van overtreding van artikel 11a van de Opiumwet.

De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende aanwijzingen waren dat de goederen bestemd waren voor beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt en dat klager dit wist of ernstige reden had om dit te vermoeden. De rechtbank stelde dat het op basis van het dossier hoogst onwaarschijnlijk was dat de strafrechter later tot verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer zou komen, en verklaarde het klaagschrift gegrond.

De officier van justitie stelde cassatieberoep in tegen deze beschikking. De Hoge Raad herhaalde het relevante rechtspraakkader dat het onderzoek in raadkamer summier van aard is en dat de beklagrechter niet mag vooruitlopen op de mogelijke uitkomst van de hoofdzaak. De rechtbank had dit wel gedaan door te oordelen over de criminele intentie en de uiteindelijke uitkomst van de hoofdzaak.

De Hoge Raad concludeerde dat de rechtbank zich niet had beperkt tot de vraag of er een redelijk vermoeden van schuld bestond, maar te ver was gegaan in haar beoordeling. Daarom werd de beschikking vernietigd en verwezen voor verdere behandeling. De Hoge Raad benadrukte het belang van het summiere karakter van het raadkameronderzoek en dat de beklagrechter slechts moet toetsen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag rechtvaardigt.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de rechtbank en verwijst de zaak terug wegens voortijdige beoordeling van de hoofdzaak.

Conclusie

Nr. 15/04244 B
Mr. Harteveld
Zitting 9 februari 2016
Conclusie inzake:

[klager]

1. De Rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, heeft bij beschikking van 28 juli 2015 het beklag van de klager ex art. 552a Sv gegrond verklaard en de teruggave aan de klager gelast van de onder hem inbeslaggenomen goederen en geldbedrag.
2. Tegen deze beschikking is door de officier van justitie, mr. E. van Veen, cassatieberoep ingesteld.
3. De plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondissementsparket Zeeland-West-Brabant, mr. H.H.J. Knol, heeft een middel van cassatie voorgesteld. Namens de klager heeft mr. D.J. Olie, advocaat te Goes, het cassatieberoep schriftelijk tegengesproken.
3.1. Het
middelklaagt over de motivering van de gegrondverklaring van het klaagschrift. Daartoe wordt aangevoerd dat de Rechtbank bij de beoordeling van de vraag of het belang van strafvordering zich tegen teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen verzet, vooruit is gelopen op de mogelijke uitkomst van een nog te voeren procedure in de hoofdzaak.
3.2. De bestreden beschikking houdt in:
“2. De beoordeling
Namens klager is aangevoerd dat op 26 maart 2015 in zijn bedrijfspand [A] aan de [a-straat 1-2] te Terneuzen een groot aantal goederen en een geldbedrag van € 5.395,00 in beslag is genomen in het kader van het nieuwe wetsartikel 11a van de Opiumwet. Het bedrijf staat ingeschreven als tuincentrum dat activiteiten ontplooit op het gebied van tuinieren in eigen tuin/balkon. Het bedrijf is bedoeld voor de zeer kleinschalige tuinderij, waaronder een gering aantal wietplantjes voor eigen gebruik zou kunnen vallen, maar zeker geen grootschalige hennepteelt. Zijn voorraad is verklaarbaar omdat het goedkoper is om in te kopen in grotere hoeveelheden. Nu het steeds om kleine eenheden gaat, zoals bij het groeimiddel, blijkt hier al uit dat dit niet bestemd is voor beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt. Klager heeft geen vergunning gevraagd per 1 maart 2015 aangezien hij van mening was en is dat hij geen growshop in de zin van APV exploiteert. De gemeente en het openbaar ministerie zijn kennelijk een andere mening toegedaan, gezien de brief van de burgemeester van de gemeente Terneuzen d.d. 24 februari 2015 en de daaraan voorafgaande waarschuwing d.d. 2 mei 2013. Klager verzoekt om teruggave van alle goederen en het geldbedrag.
De officier van justitie heeft in raadkamer gesteld dat de goederen die bij de controle bij de [A] werden aangetroffen, in combinatie met elkaar en gezien de aantallen zeker als “hennep gerelateerd” kunnen worden beschouwd. Gelet hierop, is de officier van justitie van mening dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, komt tot verbeurdverklaring dan wel onttrekking aan het verkeer van de goederen. Derhalve dient het klaagschrift volgens de officier van justitie ongegrond te worden verklaard.
De raadsman heeft in raadkamer betoogd dat niet is bewezen dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan handelen in strijd met artikel 11a van de Opiumwet. Voorts is betoogd dat geen van de in het bedrijfspand aangetroffen verkoopwaar uitsluitend geschikt is voor de beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt. De goederen zijn voor meerdere doeleinden geschikt. Het optreden van de politie, gemeente en justitie is onrechtmatig en strijdig met de letter van de wet en de bedoelingen van de wetgever. Niet iedere illegale hennepteelt is namelijk grootschalig en/of vindt plaats in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Bij klager is geen criminele intentie aanwezig. Het winkelassortiment is bestemd voor de kweek en productie van allerlei gewassen op kleine schaal. Als het gaat om materiaal geschikt voor hennepkweek dan is dat uitsluitend bedoeld te worden geleverd voor eigen gebruik.
De rechtbank overweegt als volgt.
De Opiumwet is gewijzigd bij “Wet van 12 november 2014 tot wijziging van de Opiumwet in verband met de strafbaarstelling van handelingen ter voorbereiding of vergemakkelijking van illegale hennepteelt”. Hierbij is een nieuw artikel ingevoegd dat luidt:
Artikel 11a
Hij die stoffen of voorwerpen bereidt, bewerkt, verwerkt, te koop aanbiedt, verkoopt, aflevert, verstrekt, vervoert, vervaardigt of voorhanden heeft dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft of gegevens voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, strafbaar gestelde feiten, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaar of geldboete van de vijfde categorie.
In artikel 11, derde lid, van de Opiumwet wordt strafbaar gesteld het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, gegeven verbod, terwijl artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet betrekking heeft op het handelen in strijd met (onder meer) een in artikel 3, onder B, gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel.
Het nieuwe artikel 11a van de Opiumwet is met ingang van 1 maart 2015 in werking getreden.
Het beslag op de goederen is gelegd op grond van artikel 94 Sv Pro. De rechtbank dient na te gaan of het belang van strafvordering verlangt dat het beslag wordt voortgezet. Hiervan is sprake wanneer het in beslag houden van het voorwerp kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk voordeel aan te tonen dan wel wanneer niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de goederen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer wegens de verdenking van overtreding van artikel 11a van de Opiumwet. Vooropgesteld moet worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats, omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel (HR 2 juli 2013, NJ 2013, 578).
Bij de beoordeling van de vraag of het al dan niet hoogst onwaarschijnlijk moet worden geacht dat de strafrechter, later oordelend, tot verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer zal komen, dient de rechtbank na te gaan of er aanwijzingen zijn dat klager de inbeslaggenomen goederen voorhanden had, terwijl hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat de goederen bestemd waren voor de beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt. Blijkens de parlementaire geschiedenis moet sprake zijn van zowel een criminele intentie als de daaruit voortvloeiende handeling.
Alles overziend bevinden zich in het dossier onvoldoende aanwijzingen dat de goederen
bestemdwaren voor de beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt en dat klager dit wist of ernstige reden had om dit te vermoeden. Zo, gelet op de beperkte informatie in het dossier over de goederen die in beslag zijn genomen en de verklaring van verdachte in raadkamer over deze goederen, al vast zou staan dat klager goederen voorhanden heeft gehad die geschikt zijn voor de beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt, is dit onder deze omstandigheden onvoldoende om een criminele intentie ten aanzien van de bestemming van deze goederen aan te nemen. Daarnaar gevraagd heeft de officier van justitie in raadkamer verklaard dat daar naar ook geen onderzoek is verricht. Gelet daarop acht de rechtbank het op basis van het thans beschikbare dossier hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, de inbeslaggenomen goederen zal verbeurd verklaren of zal onttrekken aan het verkeer. Ook overigens is niet gebleken van een strafvorderlijk belang bij handhaving van het beslag. Derhalve dient het klaagschrift gegrond te worden verklaard.”
3.3. Voorop moet worden gesteld dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft en dat in het kader van een beklagprocedure, de vraag of jegens de klager een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit bestaat, beoordeeld dient te worden met het oog op beantwoording van de vraag of een belang van strafvordering aanwezig is voor het voortduren van het beslag. [1] De Rechtbank moet in een beklagprocedure als de onderhavige beoordelen of op basis van het dossier en hetgeen in raadkamer door de officier van justitie en door of namens de klager is aangevoerd, jegens de klager een redelijk vermoeden van schuld aan de verweten gedraging kan volgen. [2]
3.4. De Rechtbank heeft geoordeeld dat “zich in het dossier onvoldoende aanwijzingen [bevinden] dat de goederen bestemd waren voor de beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt en dat klager dit wist of ernstige reden had om dit te vermoeden”, en dat “zo (…) al vast zou staan dat klager goederen voorhanden heeft gehad die geschikt zijn voor de beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt, dit onder deze omstandigheden onvoldoende [is] om een criminele intentie ten aanzien van de bestemming van deze goederen aan te nemen”.
3.5. Het lijkt mij dat de Rechtbank zich met dit oordeel niet heeft beperkt tot de in het kader van de beklagprocedure te beantwoorden vraag of jegens de klager een redelijk vermoeden van schuld bestaat aan - kort gezegd - het voorhanden hebben, te koop aanbieden, verstrekken, etc. van stoffen of voorwerpen waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in art.11, derde en vijfde lid, Opiumwet strafbaar gestelde feiten. Bij deze vraag gaat het er (nog) niet om dat - zoals de Rechtbank heeft beoordeeld - er (on)voldoende aanwijzingen zijn dat de inbeslaggenomen goederen die de klager in zijn winkel voorhanden had bestemd waren voor de beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt en dat de klager dit wist of ernstige reden had om dit te vermoeden, maar of die “aanwijzingen” jegens de klager een redelijke vermoeden aan deze gedraging opleveren.
3.6. De klacht dat de Rechtbank door te oordelen als zij heeft gedaan vooruit is gelopen op de mogelijke uitkomst van een nog te voeren procedure in de hoofdzaak is dus terecht voorgesteld. Het middel slaagt.
4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking behoren te leiden.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot verwijzen of terugwijzen als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:142 en HR 10 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7259, NJ 2010/599.
2.Vgl. HR 17december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2025.