8.2. Blijkens de toelichting op het middel wordt met name geklaagd over de overweging van het hof dat aangeefster de door haar verdiende bedragen onvrijwillig heeft afgestaan. Anders dan de steller van het middel meen ik dat het hof dat zonder meer uit de gebezigde bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden. Daaruit volgt immers:
i) dat de aangeefster beide keren door [betrokkene 2] , [medeverdachte] en/of [verdachte] is gezegd dat ze het door haar verdiende geld af moest geven aan [verdachte] en dat als de aangeefster iets nodig had ze dat aan [verdachte] kon vragen,
ii) dat [verdachte] de aangeefster na de tweede afspraak thuis heeft gefouilleerd om te controleren of de aangeefster echt niet meer geld had,
iii) dat de aangeefster hen moest betalen voor onderdak, stroom, water en dingen die ze gebruikte voor eten,
iv) dat ze voor de aangeefster zouden sparen maar dat er nooit duidelijk afspraken zijn gemaakt hoeveel de aangeefster zou krijgen en hoeveel er naar hen zou gaan,
v) dat de aangeefster al haar geld aan [verdachte] moest geven, en
vi) dat zij [verdachte] niet ervan durfde te beschuldigen dat het de aangeefsters geld was omdat ze bang was dat [medeverdachte] boos zou worden.
8.3. Bovendien volgt uit de gebezigde bewijsmiddelen dat de aangeefster, toen ze [betrokkene 2] , [medeverdachte] en [verdachte] tegen kwam, niets bij zich had, ze ruzie had met haar ouders, en dat ze geen vrienden en geen onderdak had.
Het hof heeft kunnen oordelen dat de aangeefster door wat verdachte en haar medeverdachten tegen de aangeefster zeiden en door de omstandigheden waarin de aangeefster zich bevond werd gedwongen of zich in ieder geval gedwongen voelde om het geld af te geven en dus dat van een vrijwillige afgifte geen sprake was. Het hof heeft daarbij mede betekenis kunnen hechten aan het feit dat tegen de aangeefster is gezegd dat als ze het geld niet zou afgeven de verdachten wel wisten hoe de aangeefster tegenover hen stond. In de hiervoor geschetste context is het helemaal niet onbegrijpelijk dat het hof die opmerking kennelijk heeft aangemerkt als bijdragend aan het bewezenverklaarde misbruik van het feitelijk overwicht dat de verdachten op de aangeefster hadden en het misbruik van aangeefsters kwetsbare positie. Het hof heeft kunnen oordelen dat verdachte en haar medeverdachten met die opmerking niet slechts de aangeefster erop wilden wijzen dat zij een schuld bij hen had en door de afgifte van het geld die gemaakte kosten kon compenseren, zoals de steller van het middel kennelijk bedoelt te betogen, maar dat zij daarmee ook suggereerden dat als de aangeefster het geld niet af zou geven de verdachte en haar medeverdachten daar voor de aangeefster niet positieve gevolgen aan zouden verbinden. Mede gelet op de kwetsbare, afhankelijke positie van de aangeefster, heeft het hof daaruit kunnen afleiden dat de verdachten met die opmerking druk wilden uitoefenen op de aangeefster om het geld af te geven.
8.4. Verder heeft het hof niet onbegrijpelijk overwogen dat het feit dat het totaal van de door de aangeefster afgedragen bedragen niet of nauwelijks de gemaakte kosten dekte niet van belang is, nu er vooraf geen afspraken zijn gemaakt omtrent een vergoeding van die kosten en dat dus van een uit een dergelijke afspraak voortvloeiende verplichting tot vergoeding geen sprake was.
8.5. De steller van het middel voert op zichzelf terecht aan dat je ook achteraf tot afspraken kunt komen, en dat er een morele verplichting kan bestaan om compensatie te bieden voor gemaakte kosten zodat het feit dat van tevoren geen afspraken zijn gemaakt niet betekent dat je achteraf iemand niet ergens op aan kunt spreken. Uit de aangifte van de aangeefster zou ook kunnen worden afgeleid dat er sprake was van een principe-akkoord tussen haar en de verdachten over de verdeling van de door haar verdiende geldbedragen, mede ter betaling van de door de verdachten gemaakte kosten.
8.6. De steller van het middel miskent echter dat de verdachte en haar medeverdachten niet zozeer wordt verweten dat ze de aangeefster hebben aangesproken op een, al dan niet morele, schuld. Hen wordt verweten dat ze gebruik hebben gemaakt van aangeefsters kwetsbare situatie en haar afhankelijk van hen hebben gemaakt door allerlei kosten voor haar te maken, waarna de verdachten die situatie hebben misbruikt om druk op de aangeefster uit te oefenen om als prostituee te gaan werken en de door haar daarmee verdiende inkomsten af te staan. Het hof heeft kunnen oordelen dat gelet daarop van een vrijwillige, in vrijheid overeengekomen afspraak of overeenkomst tussen twee partijen geen sprake was en heeft een en ander zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting kunnen aanmerken als uitbuiting. De bewezenverklaring is in zoverre voldoende met redenen omkleed.
8.7. Het middel faalt.