Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
condicio sine qua non-verband) (rov. 4.3). Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat zij - gelet op de brief van de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van Countus van 25 januari 2011, waarin deze erkent dat sprake is geweest van een foutief advies - het ervoor houdt dat Countus in april 2008 toerekenbaar is tekortgeschoten jegens [eisers] en uit dien hoofde in beginsel aansprakelijk is voor de daaruit voor hen voortgevloeide schade (rov. 4.6). De rechtbank heeft [eisers] vervolgens toegelaten bij akte een nadere toelichting te geven op het door hen gevorderde bedrag ter hoogte van € 48.965,62 (rov. 4.9). Om redenen van proceseconomische aard heeft de rechtbank voorts, overeenkomstig het verzoek van Countus ter comparitie, toegestaan om tussentijds hoger beroep tegen het tussenvonnis in te stellen (rov. 4.10).
Het hof heeft het tussenvonnis van de rechtbank van 2 mei 2012 vernietigd en alle vorderingen van [eisers] afgewezen, met veroordeling van [eisers] in de proceskosten van de procedure in eerste aanleg en in het principaal appel en veroordeling van Countus in de kosten van de procedure in incidenteel appel.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
‘dat er in september 2008 op het moment dat Countus naar de koopakte keek, al sprake was van een perfecte koopovereenkomst zonder mogelijkheid van prijsaanpassing”, heeft het hof in strijd met art. 24 Rv Pro de feitelijke grondslag van het verweer van Countus aangevuld.
Aan Countus kan worden toegegeven dat de feitelijke interpretatie van de gedingstukken aan het hof als feitenrechter is voorbehouden. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad staat het de rechter echter niet vrij zijn beslissing te baseren op rechtsgronden of verweren die weliswaar zouden kunnen worden afgeleid uit in het geding gebleken feiten en omstandigheden, maar die door de desbetreffende partij niet aan haar vordering of verweer ten grondslag zijn gelegd. [2] De wederpartij wordt daardoor immers tekortgedaan in haar recht zich daartegen naar behoren te kunnen verdedigen, waardoor het beginsel van hoor en wederhoor wordt geschonden.
Deze laatste situatie doet zich hier voor. Het hof heeft het oordeel in rov. 5.9 van het tussenarrest “
dat er in september 2008 op het moment dat Countus naar de koopakte keek, al sprake was van een perfecte koopovereenkomst zonder mogelijkheid van prijsaanpassing”niet gebaseerd op een verweer met deze strekking van Countus. Hierdoor zijn [eisers] tekortgedaan in hun recht zich naar behoren te kunnen verdedigen. Daarbij komt nog, zoals het middelonderdeel terecht aanvoert, dat, zonder nadere toelichting, die in rov. 5.9 ontbreekt, niet begrijpelijk is waarom de koopakte nog aan Countus diende te worden voorgelegd indien al sprake was van een perfecte koopovereenkomst. Het middelonderdeel is derhalve gegrond.
“De koopovereenkomst is– na overleg met Countuswaarvoor eiseres een factuur d.d. 22 oktober 2008 heeft gezonden (“werkzaamheden akte verkoop pand”) – door [eisers] en [betrokkene 1] op 17 september 2008 ondertekend.”(vetgedrukt door advocaat). Volgens het onderdeel moet het moment van ondertekenen van een overeenkomst worden beschouwd als het moment van wilsovereenstemming tussen partijen, tenzij er feiten zijn die op het tegendeel wijzen. Het moment van wilsovereenstemming, meer in het bijzonder het moment waarop de aanvaarding door de aanbieder wordt ontvangen, is essentieel (art. 3:37 lid 3 BW Pro). Dit ongeacht de vraag of de koper in het kader van beroep of bedrijf dan wel op eigen naam handelt. De motivering van het hof getuigt daarom van een onjuiste rechtsopvatting, althans is onbegrijpelijk te noemen, aangezien het hof (impliciet) van oordeel is dat het moment van volledige (zaaksrelevante) wilsovereenstemming in de onderhavige zaak gelegen is op een moment voorafgaand aan de ondertekening van de overeenkomst, doch daarvoor geen feitelijke aanknopingspunten in de gedingstukken benoemt.
Overigens is het oordeel van het hof dat op het moment dat Countus naar de koopakte keek er al sprake was van een perfecte koopovereenkomst, inderdaad onbegrijpelijk in het licht van de vaststelling van het hof in rov. 3.6 van het tussenarrest, dat de koopovereenkomst ná overleg met Countus is ondertekend. Voor zover het oordeel in rov. 5.9 van het tussenarrest aldus moet worden begrepen dat het hof meent dat de wilsovereenstemming tussen [eisers] en [betrokkene 1] op een moment voorafgaand aan de ondertekening van de overeenkomst lag, had het hof dit in het tussenarrest moeten motiveren.
“Een bewijsaanbod op dat punt ligt niet voor”. Voor zover het hof het bewijsaanbod niet over het hoofd heeft gezien, is de motivering in rov. 5.9 van het tussenarrest onbegrijpelijk nu het bewijsaanbod in redelijkheid niet anders gelezen kan worden dan dat het (mede) zag op de stellingen van [eisers] in het incidenteel hoger beroep. Ten slotte houdt het onderdeel in dat voor zover het bewijsaanbod van [eisers] door het hof als onvoldoende gespecificeerd of niet ter zake dienend zou zijn beoordeeld, het oordeel van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans onbegrijpelijk is. Immers, de stellingen van [eisers] in zowel de eerste aanleg als in hoger beroep kunnen niet anders worden gelezen dan dat [eisers] via het horen van de getuige [betrokkene 1] wenst aan te tonen dat de concept overeenkomst gewijzigd zou worden als Countus [eisers] over dat concept juist had geadviseerd, althans melding had gemaakt van het verstreken zijn van de tweejaarstermijn, aldus het onderdeel.
en de hiervoor genoemde koper [betrokkene 1] .” (onderstreping toegevoegd; A-G)
[eisers] – A-G) de onroerende zaak niet op dezelfde voorwaarden aan [betrokkene 1] verkocht.
conditio sine qua non-verband. De rechtbank heeft het betreffende verwijt dan ook ten onrechte buiten beschouwing gelaten.”
NJ2005/270 m.nt. DA [3] :