Conclusie
[A]/ING [1] .
2.Procesverloop
[A]/INGten betoge dat de “schone lei” geen betrekking heeft op de vordering van de hypotheekhouder [5] . Partijen hebben het debat op dit punt voortgezet in nadere aktes. De rechtbank Zwolle-Lelystad heeft bij vonnis van 19 december 2012 deze vordering van [de man] toegewezen (zie dictum onder 5.5). Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de wettelijke schuldsaneringsregeling meebrengt dat een hypothecaire vordering niet onder de schuldsaneringsregeling valt, met als gevolg dat de schuldenaar tijdens de schuldsanering de hypotheekrente verschuldigd blijft (en mag voldoen uit de hem toekomende, buiten de boedel vallende inkomsten) en dat de hypothecaire vordering bij beëindiging van de schuldsaneringsregeling niet onder de “schone lei” valt. Dit zou alleen anders zijn, indien de woning gedurende de schuldsaneringsregeling was verkocht, omdat een hypotheek/pandhoudende bank als separatist het verbonden goed buiten de boedel om kan verkopen en zich uit de opbrengst kan voldoen. Is die opbrengst niet toereikend, dan wordt de resterende vordering bestreken door de werking van de schuldsaneringsregeling en kan een “schone lei” worden verleend (rov. 4.5). Nu de woning niet is verkocht tijdens de schuldsaneringsregeling, is aan de vrouw voor de hypothecaire schuld geen “schone lei” verleend en is zij samen met de man daarvoor hoofdelijk aansprakelijk gebleven, wat leidt tot toewijzing van dit deel van de vordering van de man (rov. 4.6).
[A]/INGniet ziet op een situatie als de onderhavige en dat anders geen recht wordt gedaan aan het uitgangspunt van de wetgever dat een persoon in een problematische schuldensituatie niet tot in de lengte van jaren door zijn schulden achtervolgd moet kunnen worden. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat zij het onbedoelde slachtoffer is van een situatie waarin de hypotheekhouder en de bewindvoerder geen belang hebben bij parate executie (omdat de woning “onder water” stond en er geen betalingsachterstanden waren) terwijl zij zelf geen mogelijkheid had om verkoop van de woning af te dwingen en daarmee te bewerkstelligen dat het voor haar rekening komende gedeelte van de onderwaarde onder de werking van de schuldsaneringsregeling viel.
grief Igericht tegen overweging 4.5. van het vonnis van de rechtbank dat de wettelijke schuldsaneringsregeling meebrengt dat:
grieven I en IIfalen.
grief IIIdat de rechtbank bij haar overwegingen over de verdeling van de draagplicht van de onder- respectievelijk overwaarde in de woning heeft miskend dat tussen partijen is afgesproken dat [de man] de lasten van de woning voor zijn rekening zou nemen, dat partijen reeds in 2010 overeenstemming hebben bereikt over toedeling van de woning aan [de man], waarbij [de man] de hypothecaire schuld voor zijn rekening zou nemen, en dat [de man] in een eerder stadium de woning juist niet wilde verkopen en zelf in die woning is blijven wonen. In
grief IVstelt [de vrouw] dat de rechtbank heeft miskend dat een verdeling bij helfte van de onderwaarde van de woning strijdig zou zijn met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid.
grieven III en IVfalen.”
3.Bespreking van de cassatiemiddelen
middel Ide rechtsklacht formuleert dat de separatistenpositie van pand- en hypotheekhouders in de schuldsaneringsregeling geldt voor “gewone” gevallen waarin zij wegens betalingsachterstanden tot executie overgaan. Nu in ons geval geen achterstanden zijn opgetreden, omdat de hypotheeklasten zijn voldaan door de man en niet is geëxecuteerd door de bank of de bewindvoerder omdat zij daar geen belang bij hadden en de vrouw daar buiten stond, brengt correcte wetstoepassing mee dat de restschuld bij verkoop onder de “schone lei” van de vrouw valt (onderdelen 1.2 t/m 1.6, 1.8 en 1.10). Het hof zou ten onrechte art. 57 jo Pro. 299 lid 3 Fw in zijn oordeel hebben betrokken, nu de wetgever niet aan de situatie in onze zaak heeft gedacht (onderdeel 1.7). De situatie bedoeld in art. 303 lid 3 en Pro 358 lid 5 Fw geldt in dit geval, althans brengt “functionele rechtstoepassing” mee dat de restantschuld volgens het stelsel bedoeld in deze artikelen onder de “schone lei” valt (onderdeel 1.9). Daarbij is relevant dat partijen zouden hebben afgesproken dat de woning behouden zou blijven en de man de hypotheeklasten zou blijven voldoen (onderdeel 1.11).
kunnenexecuteren (maar, zoals we zullen zien, dat niet per se
moeten) dus hun rechten uitoefenen alsof er geen schuldsaneringsregeling loopt. Daarbij moet bedacht worden dat uitgangspunt bij schuldsanering is dat de activa van de schuldenaar zo veel mogelijk te gelde worden gemaakt. Wanneer de hypotheekhouder zijn hypotheekrecht niet executeert, kan de bewindvoerder hem volgens art. 299 lid 3 jo Pro. 58 Fw een termijn stellen waarbinnen de hypotheekhouder tot uitoefening van zijn recht moet overgaan. Doet de hypotheekhouder dat niet, dan kan de bewindvoerder zelf de woning opeisen en verkopen. Voor een eventuele restantschuld kan de hypotheekhouder vervolgens concurrent opkomen en die restantschuld valt dan onder de “schone lei”.
[A]/ING [7] heeft Uw Raad zich duidelijk uitgelaten over de positie van zekerheidshouders in de schuldsaneringsregeling. Daarover was verwarring ontstaan, omdat de wetgever zelf het zicht op de bal was verloren bij een wetswijziging, zo is duidelijk geworden uit dit arrest. Zowel rechtbank als hof hebben de leer uit dit arrest correct weergegeven in respectievelijk rov. 4.5 van het vonnis en rov. 2.8 van het eindarrest.
[A]/INGheeft duidelijk gemaakt dat de wetsaanpassing in de vorm van art. 303 lid 3 Fw Pro (rechterlijke bevoegdheid om art. 303 lid 1 Fw Pro buiten toepassing te laten) in feite onjuist en onnodig is geweest [8] . Ook als een schuldsanering is beëindigd en het hypotheekrecht niet is geëxecuteerd, wordt een hypothecaire lening
nietgetroffen door de “schone lei”.
[A]/INGgeschetste kader. Of de saniet zelf (gedurende de gehele looptijd van de schuldsaneringsregeling) in de woning verblijft en zelf de hypotheeklasten draagt, is volgens mij niet doorslaggevend; dat knoopt te zeer aan bij het feite overbodige art. 303 lid 3 Fw Pro.
[A]/INGis af te leiden dat een restschuld van een woning die “onder water” staat niet onder de “schone lei” valt, is minder duidelijk. De literatuur is hier niet eenduidig over. Lammers [10] schrijft:
achterstallige betalingen daarvan is bij ons geen sprake.
[A]/INGsprake was van de a-typische situatie dat sprake was van overwaarde en dat niet duidelijk uit de verf komt of dit arrest kan worden doorgetrokken naar de situatie dat sprake is van onderwaarde. Hij vindt de oordelen uit dit arrest onbevredigend, omdat niet duidelijk is of mede het oog is gehad op onder water situaties en wat dan de gevolgen zijn van rentebetaling en aflossing tijdens de sanering terwijl niet is geëxecuteerd. Hij ziet hier een taak voor de wetgever om daar duidelijkheid over te scheppen. Daar heeft deze schrijver zeker een punt. Wat daar verder van zij, kan volgens mij in onze zaak blijven rusten, omdat niet de saniet, maar de ex-man van de saniet betalingen heeft verricht, zodat dan volgens mij geen mogelijke strijd met art. 306 en Pro 303 lid 1 Fw speelt.
[A]/INGonderbelicht gebleven. Zij bespreken 2 varianten: (i) de restschuld valt
nietof (ii)
welonder de schone lei.
[A]/INGoverbodig geoordeelde) wetswijzing in 2008 heeft willen faciliteren, wat deze schrijvers “een duidelijk argument” voor deze variant noemen. Dat lijkt mij ook. Deze variant is ook te prefereren met het oog op de financierbaarheid van woningen in het algemeen, iets dat de wetgever ook heeft willen bereiken met de onttrekking van hypothecaire schulden aan de schuldsaneringsregeling. Er is wel een risico voor de saniet.
oorspronkelijkeart. 299 lid 3 Fw Pro, Kamerstukken II 1992/93, 22 969, nr. 3 p. 17 “is de conclusie te trekken dat de schuldsaneringsregeling onverkort werkt voor dat deel van de hypothecaire schuld dat niet op de verbonden woning kan worden verhaald”: die vordering bestaat ten tijde van de van toepassing verklaring van de schuldsaneringsregeling en de toepasselijkheid van de “schone lei” is niet beperkt tot schulden waarvan de hoogte voorafgaand aan of tijdens de regeling duidelijk geworden is, zodat deze lei ook geldt voor de restantvordering die pas bij verkoop van de woning na einde schuldsanering duidelijk wordt. Zij vervolgen hun betoog ten faveure van
welmet een uiteenzetting dat het vreemd is dat de wetgever bij de wijziging van art. 349 lid 1 Fw Pro met een bepaalde aanvulling met geen woord rept over de mogelijkheid van afzien van executie tijdens de schuldsaneringsregeling. Ik kan niet plaatsen waarom Smits en Vermeulen aan het voorbijgaan aan de mogelijkheid van afzien van executie bij de bespreking van deze aanpassing in art. 349 Fw Pro (vgl. p. 14-15) een argument pro “schone lei” ontlenen. Dat heeft voor zover ik kan zien op zijn best trekken van een a contrario-redenering. Zij menen dat ook Loesberg [15] deze visie onder verwijzing naar de wettelijke systematiek aanhangt. Ik wijs erop dat Loesberg voorop stelt onder 5 van zijn annotatie dat de uitkomst van de procedure dat de restantschuld niet onder de “schone lei” valt bevredigend is en zich vervolgens inderdaad afvraagt of dit oordeel wel past in het wettelijke systeem. Daarbij betrekt hij ook de (toen nog aanstaande) meerbesproken wetswijziging uit 2008, die door Uw Raad inmiddels “naar de prullenmand is verwezen”, aldus NJ-annotator Van Schilfgaarde in zijn NJ-noot onder
[A]/ING.
[A]/INGduidelijk heeft gemaakt dat voorrang moet worden gegeven aan de gedachte dat separatisten niet behoren te worden geraakt door de schuldsaneringsregeling. Zij kunnen executeren, hoeven dat niet, maar laten ze dat na, dan blijft de schuldenaar hypotheeklasten verschuldigd. Dit systeem komt in geval van het vervolgens wel vallen van de restschuld onder de “schone lei” op losse schroeven te staan. Het leidt in het licht van het door Uw Raad uiteengezette stelsel tot een volgens mij onaanvaardbare doorbreking van het uitgangspunt van de separatistenpositie in de schuldsaneringsregeling (iets dat als het ware “doorwerkt” in de relatie tussen partijen in onze zaak), hetgeen de wetgever met de inmiddels overbodig geachte wetswijzing uit 2008 heeft willen voorkomen. Daar kan evenwel ook anders over worden gedacht. De vraag is wat in het spanningsveld tussen separatistenpositie en “schone lei” de doorslag moet geven bij niet uitoefening van die separatistenpositie. Ik kies daarin zoals aangegeven tegen de “schone lei” positie, met name vanwege de wenselijker geachte consequenties voor de praktijk.
Onderwaarde
de risico’s in geval er sprake is van onderwaarde en niet tot verkoop wordt overgegaan (het risico dat de woning na afloop van de Wsnp alsnog moet worden verkocht en de restschuld niet onder de schone lei valt). Verder dient de schuldenaar zich te realiseren dat er gedurende de schuldsanering geen financiële ruimte is voor eventueel noodzakelijk onderhoud aan de woning.” (Onderstreping A-G).
geen betalingsachterstandis ontstaan. Zodra die wel ontstaat, “triggert” dat het recht van parate executie van de separatisten. Ik wijs op de hiervoor geciteerde rov. 3.7.2 in fine van het
[A]/ING-arrest, waarin wordt aangegeven dat de later ingevoerde art. 303 lid 3 en Pro art. 358 lid 5 Fw Pro geen wijziging brengen in het geschetste stelsel dat ook zonder die bepalingen al geldt (reden waarom het niet voorhanden zijn van een art. 303 lid 3 Fw Pro verklaring, zoals aangevoerd door [de vrouw], hier niet relevant is). Wanneer in een “gewone” situatie geen achterstanden ontstaan, omdat de saniet buiten bezwaar van de boedel de hypotheeklasten blijft voldoen (waartoe hij ook gehouden is), behoeft de hypotheekhouder zijn zekerheidsrecht niet uit te oefenen, maar valt de hypothecair verbonden schuld vervolgens ook niet onder de “schone lei” (het hiervoor in de Ricofa-richtlijnen bedoelde risico). In onze zaak is iets vergelijkbaars aan de hand, doordat
langs andere wegwordt bewerkstelligd dat geen achterstanden ontstaan die de hypotheekhouder dwingen zijn separatistenpositie uit te oefenen: de voormalige echtgenoot blijft in de woning zitten (als gezegd was dat het eerste half jaar van de schuldsanering overigens de vrouw zelf) en blijft de hypotheeklasten voldoen. Moet vervolgens in het kader van de verdeling het huis, hoewel het “onder water” staat, toch verkocht worden, dan kan ook dan (evenmin als in het geval van een “gewone” situatie dat de saniet de hypotheeklasten blijft voldoen zodat er geen achterstanden ontstaan)
nietgeprofiteerd worden van de “schone lei” situatie met betrekking tot de restschuld. Dat er geen art. 303 lid 3 Fw Pro beschikking voorhanden is, doet daar niet aan af – die is als gezegd volgens Uw Raad overbodig.