Conclusie
middelbevat drie deelklachten die inhouden dat de bewijsvoering niet redengevend is voor hetgeen het hof heeft bewezen verklaard. De eerste klacht heeft betrekking op de vraag of het hof heeft kunnen aannemen dat bepaalde bewezenverklaarde handelingen in Nederland hebben plaatsgevonden. In de tweede klacht wordt aan de orde gesteld dat het onderdeel van de tenlastelegging “een ander trachten te bewegen om het feit mede te plegen” niet uit de bewijsmiddelen kan volgen en de derde klacht richt zich tegen het oordeel van het hof dat de verdachte ten tijde van de voorbereidingshandelingen voorwaardelijk opzet heeft gehad op de invoer van cocaïne omdat de verdachte in de veronderstelling verkeerde dat het ging om het invoeren van een bepaald geldbedrag.
een ander getracht te bewegen om dat feit mede te plegen en voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, immers is/heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s),
- met elkaar telefonisch contact gehad en
- informatie en instructies ontvangen ten behoeve van de invoer en de overdracht van een of meer hoeveelheden verdovende middelen en
- een ontmoeting gehad om afspraken te maken en
- daarbij een foto van een afbeelding van [betrokkene 1] en een boek (de Celestijnse belofte) in ontvangst genomen en onder zich gehouden en
- Met dat boek naar Schiphol gegaan en vervolgens air side betreden en/of
- [betrokkene 1] op air side ontmoet en met [betrokkene 1] daar in de douchecabine is gegaan,
welke achter de gedachtestreepjes vermelde handelingen bedoeld waren om de door [betrokkene 1] vervoerde circa 9,8 kilo van een materiaal bevattende cocaïne Nederland binnen te brengen.”
in Nederlandtezamen en in vereniging met een ander of anderen de handelingen heeft gepleegd die in de bewezenverklaring na de eerste twee gedachtestreepjes zijn beschreven, te weten het met elkaar telefonisch contact hebben en het ontvangen van informatie en instructies ten behoeve van de invoer en overdracht van verdovende middelen. De steller van het middel betoogt in dit verband dat uit bewijsmiddel 10 niet kan volgen dat het telefoonnummer + [004] in relatie staat tot de personen die bij deze zaak betrokken zijn.
1°. een ander tracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen,
2°. zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit tracht te verschaffen,
3°. voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit,
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
.De steller van het middel betoogt dat voor het bewijs van de aanvaarding van die kans, er omstandigheden moeten zijn aan te wijzen waaruit kan volgen dat de verdachte ten tijde van het plegen van de voorbereidingshandelingen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het om cocaïne ging. Betoogd wordt dat een mogelijk ten tijde van de voorbereidingshandelingen bestaand opzet op het bevorderen van de invoer van cocaïne door enige handeling achteraf niet kan worden bevestigd.
(“Dat aan de verdachte, zoals hij heeft verklaard, zou zijn verteld dat het op te halen goed een geldbedrag betrof, doet daar niet aan af.”)de juistheid van die verklaring in het midden heeft gelaten, zodat in cassatie van die juistheid moet worden uitgegaan. Die stelling kan ik volgen. Maar daar staat tegenover dat de juistheid van die verklaring – dus dat aan de verdachte is verteld dat het om een geldbedrag zou gaan – niet onverenigbaar is met het oordeel van het hof dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het door hem in ontvangst te nemen goed geen geld maar cocaïne betrof. Het enkele feit dat aan de verdachte is medegedeeld dat het om een geldbedrag zou gaan, betekent immers niet dat hij op die mededeling heeft vertrouwd en sluit dus niet uit dat hij zich bewust was van de aanmerkelijke kans dat het in werkelijkheid, anders dan hem was verteld, om cocaïne zou gaan en dat hij die kans ook heeft aanvaard.
“Misschien wilde [betrokkene 1] alsnog de tas overhandigen maar ik had al 'nee' gezegd. Op het moment dat [betrokkene 1] mij de tas wilde overhandigen dacht ik dat het mis ging. Ik dacht: dit is niet afgesproken. Ik wilde mij distantiëren.”vindt immers haar weerlegging in de inhoud van bewijsmiddel 5. Datzelfde geldt voor het verweer van de raadsman dat de verdachte op het moment dat hij werd aangehouden nog niets had kunnen controleren en nog niets in ontvangst had genomen en dat hij van de zaak wilde afzien omdat hij het niet langer vertrouwde.