Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1keert zich tegen het oordeel van het hof met betrekking tot de lokalisatie van de hoofdvestiging van Atlanship. De klachten van onderdeel 1 vallen uiteen in verschillende subonderdelen.
Subonderdeel 1.1voert aan dat het hof in rov. 3.4 blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het begrip hoofdvestiging van een rechtspersoon zoals bedoeld in art. 60 lid 1 sub c EVEX Pro II. [9] Als ik goed zie, verwijt het middel het hof bij de lokalisatie van de hoofdvestiging van Atlanship te hebben nagelaten om na te gaan of de plaats waar of van waaruit de meest belangrijke en het grootste aantal handelingen van de vennootschap met derden plaatsvindt of de plaats van het zwaartepunt van de economische, industriële en commerciële bedrijvigheid van de vennootschap in Rotterdam ligt en of daar het grootste deel van haar personeel en zakelijke middelen wordt ingezet. Anders gezegd, het hof zou een onjuiste maatstaf hebben aangelegd bij het bepalen van de hoofdvestiging van Atlanship. Voorts betoogt het middel dat de overweging van het hof dat de Rotterdamse vestiging van Atlanship vooral belast is met technische aangelegenheden op het operationele vlak, niet uitsluit dat de Rotterdamse vestiging heeft te gelden als de hoofdvestiging van Atlanship.
subonderdeel 1.2bouwt op het voorgaande subonderdeel voort en deelt het lot daarvan.
subonderdeel 1.3wordt betoogd dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting waar het hof aan het slot van rov. 3.4 overweegt dat de door [eiseres] aangevoerde omstandigheden afzonderlijk noch tezamen toereikend zijn voor het oordeel dat Rotterdam de hoofdvestigingsplaats van Atlanship is en het kantoor in Zwitserland als nevenvestiging heeft te gelden. Volgens het middel is niet relevant of sprake is van een nevenvestiging, maar had het hof moeten beoordelen of de vestiging in Rotterdam ingevolge art. 60 lid 1 sub c EVEX Pro II kan worden aangemerkt als hoofdvestiging van Atlanship.
subonderdeel 2.2wordt aangevoerd dat het hof niet voorbij mocht gaan aan het bewijsaanbod van [eiseres], omdat zij getuigen (‘hoofdverantwoordelijken op de Rotterdamse hoofdvestiging van Atlanship’) [11] wenste te horen die kennelijk zouden kunnen verklaren dat Atlanship haar hoofdvestiging in Rotterdam heeft. De klacht faalt. Kennelijk had het hof geen behoefte aan een verklaring van deze getuigen, omdat het reeds op grond van de over en weer door partijen ingebrachte stellingen tot de conclusie heeft kunnen komen dat Atlanship haar hoofdvestiging niet in Rotterdam heeft. Waar het middel nog wijst op de Linkedin-profielen van de in Rotterdam werkzame werknemers van Atlanship, wordt uit het oog verloren dat deze door [eiseres] in het geding gebrachte Linkedin-profielen slechts één van de vele door het hof in rov. 3.4 betrokken omstandigheden is geweest bij de lokalisatie van de hoofdvestiging van Atlanship.
subonderdeel 2.3, bestaat geen aanleiding. Van een verboden prognose van het hof omtrent het resultaat van de bewijslevering, eveneens bepleit in subonderdeel 2.3, is geen sprake. Het hof heeft op grond van de over en weer door partijen ingebrachte stellingen tot de conclusie kunnen gekomen dat Atlanship haar hoofdvestiging niet in Rotterdam heeft. De daarop betrekking hebbende klachten falen dan ook.